Drie vragen over de tekortkomingen in de online bestrijding van Syriëstrijders

21/10/15 om 11:09 - Bijgewerkt om 13:17

Uit het rapport van comité P blijkt dat er maar één persoon online naar Syriëstrijders speurt. Dat terwijl sociale media een belangrijke rol spelen in het radicaliseringsproces. Hoe kan dit zo komen en hoe moet dit beter? Drie vragen aan Frederik Tibau, redacteur bij Data News.

Drie vragen over de tekortkomingen in de online bestrijding van Syriëstrijders

Younnes Delefortrie © BELGA

1. Er is maar één persoon die online speurt naar Syriëstrijders. Is dat niet te weinig?

Eén deeltijdse medewerker voor de 'Internet Intelligence Support Unit' van de federale politie is uiteraard bitter weinig. Digitaal opsporingswerk wordt sowieso stiefmoederlijk behandeld in ons land, en je moet iemand met het juiste (ict)-profiel op de zaak te zetten, iemand die bovendien met de taalbarrière overweg kan. Dergelijke mensen zijn moeilijk te vinden, voor een stuk omdat ze in de privé een pak meer kunnen verdienen.

2. Is het dan zo moeilijk om Syriëstrijders te volgen op het internet?

Strijders tracken en volgen op sociale media (op het reguliere web dus) is één zaak, activiteiten opsnorren op het dark web, waar heel wat jihadi zich eveneens verschuilen, is nog iets anders. Je moet al op de hoogte zijn van het feit dat er zoiets als een dark web bestaat, je moet er toegang tot kunnen krijgen én je moet de exacte URL's kennen van de sites die de strijders gebruiken om te communiceren. Daarvoor moet je al bijna infiltreren in hun netwerken, omdat je die informatie enkel van vertrouwelingen kan krijgen. Daar is uiteraard speurwerk voor nodig. Wil je strijders zowel op het reguliere als op het dark web op een deftige manier volgen, dan heb je bekwame en goed opgeleide mensen nodig, én moet je in teamverband werken.

3. Ook met de communicatie tussen de politiediensten onderling lijkt het spaak te lopen.

Zelfs als je tien personen op de zaak zet, heeft het weinig zin als er niet gecommuniceerd wordt tussen de politiediensten onderling, tussen de politie en de Federal Computer Crime Unit (die ook al zwaar onderbemand is), en gelijkaardige diensten in het buitenland. Meer nog dan het aantal mensen, is communicatie van het allergrootste belang, en daar lijkt het inderdaad toch weer fout te lopen. Dat was in het verleden bij de zaak Dutroux niet anders.

Onze partners