Wikipedia-oprichter wil 'fake news' bestrijden met alternatief nieuwsplatform

25/04/17 om 13:55 - Bijgewerkt om 13:54

De medeoprichter van Wikipedia Jimmy Wales wil nepnieuws aanpakken met de oprichting van Wikitribune, een nieuwsservice gefinancierd door crowdfunding. Dat heeft hij aangekondigd in een interview met Wired.

Wikipedia-oprichter wil 'fake news' bestrijden met alternatief nieuwsplatform

Jimmy Wales © Isopix

Wikitribune moet een hybridemodel worden tussen enerzijds professionele, betaalde journalisten en anderzijds een netwerk van vrijwilligers. Donateurs betalen een maandelijks bedrag van ongeveer 14 euro, in ruil krijgen ze een stem in welke onderwerpen aan bod komen op de site. Lezers kunnen de artikels zelf factchecken en aanpassen. Elke verandering die de lezers maken moet wel worden goedgekeurd door een medewerker van Wikitribune of een vertrouwde vrijwilliger. Daarnaast zullen gemeenschappen die aanvoelen dat ze niet genoeg vertegenwoordigd worden in de media in staat zijn zelf een journalist te financieren om een bepaald onderwerp te behandelen.

Wales wil hiermee naar eigen zeggen "de op feiten gebaseerde, factcheckingmentaliteit van Wikipedia naar het nieuws halen". Hij heeft ervoor gekozen het project te financieren op basis van een gemeenschapsmodel in plaats van via investeerders omdat het meer strookt met de mentaliteit van Wikipedia en het de noodzaak voor een rendement op de investeringen weghaalt. De site zal reclamevrij zijn en geen betaalmuur hebben die de toegang beperkt.

Wales is ervan overtuigd dat de commerciële druk naar een "race to the bottom" geleid heeft binnen de media-industrie. Het overgrote deel van advertentie-inkomsten gaat naar Facebook en Google, bedrijven die niet zelf nieuws maken. Dat betekent dat men moet beginnen experimenten met nieuwe manieren van inkomsten zoeken. "Veel redacteurs, journalisten en eigenaars van magazines en kranten voelen zich oncomfortabel en zeggen 'we kijken naar dit als een businessmodel dat ons naar clickbait leidt'", aldus Wales in het interview met Wired.

Onze partners