"Faa-tzo-tzi-tzaam", mompel ik terwijl ik de motor start. We gaan op reis.
...

"Faa-tzo-tzi-tzaam", mompel ik terwijl ik de motor start. We gaan op reis. "Wat zeg je?" vraagt mijn zoon op de achterbank. "Niets", antwoord ik. "Toch wel", volhardt mijn zoon. Een jongen van zeven laat zich niet zo makkelijk afschepen. "Je zei iets raar." Tegenwoordig heeft hij grote belangstelling voor mijn doen en laten. Wellicht omdat de zomerprogrammatie van Ketnet niet boeiend genoeg is. "Faa-tzo-tzi-tzaam", zeg ik opnieuw, nu iets nadrukkelijker. "Wat is dat?", vraagt hij verder. "Goh....." Hoe moet ik dat nu uitleggen? Hoe kan ik vertellen aan een kind van zeven, dat zich de afgelopen maanden uit de naad gewerkt heeft om foutloos te schrijven, te lezen en te spreken, dat mijn gebrabbel een door mijn grootmoeder aangeleerde verbastering is van een zinnetje uit een geloof dat allang het mijne niet meer is, dat daarenboven geen enkele communicatieve waarde heeft, maar dat ik nog altijd uitspreek als we "op reis" vertrekken. "Faa-tzo-tzi-tzaam". Het is de versnelde samentrekking van "in de naam van de vader (Faa), de zoon (tzo) en de heilige geest (tzi), Amen (tzaam)." Faa-tzo-tzi-tzaam. Toen ik als kind op reis ging, en mijn grootmoeder reisde met ons mee, dan sloegen we met onze rechterhand altijd een kruis met de woorden "in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, amen". Wellicht waren dat voor ons West-Vlamingen teveel lettergrepen. Doe daarbij nog eens de onmogelijke West-Vlaamse alliteratie Heilige Geest en je begrijpt dat wij in familiekring besloten hadden dat "Faa-tzo-tzi-tzaam" het ook wel zou doen. Mijn grootmoeder was een gelovig mens. En een dergelijk kruisteken diende om onszelf een behouden reis toe te wensen. Ik heb het, om het met de woorden van Willem Vermandere te zeggen, allang niet meer begrepen op die tot de tanden bewapende en marchanderende goden, maar nog steeds betrap ik mezelf erop dat ik de wonderspreuk van mijn grootmoeder gebruik. Het kruisteken sla ik allang niet meer en doorgaans zeg ik de spreuk niet meer hardop. Maar in mijn hoofd weerklinkt ze altijd. Waarom doe ik dat dan? Ooit was het een handeling vanuit een geloofsovertuiging, bij mijn grootmoeder. Nu is het een ritueel dat mij er nog steeds aan herinnert dat ik voorzichtig moet rijden, aandachtig moet zijn voor de anderen op de weg en beseffen dat ik verantwoordelijk ben voor al wie met me meerijdt. De spreuk is geen richtlijn maar een uitdrukking van gevoel. Het brengt de waarden, die ik net zoals mijn grootmoeder in het vaandel draag, tot leven. Die van respect en aandacht voor anderen. De vraag van mijn zoon naar een verklaring voor mijn handeling doet mij plots beseffen wat het belang van rituelen is. Een ritueel doet ons blijkbaar denken aan de kern van de zaak. Misschien onthouden voor mijn change management werk, denk ik. Verander alles, maar weet wat de rituelen zijn. En koester ze. "Faa-tzo-tzi-tzaam", mompel ik nogmaals. Kwestie van zeker te zijn dat Hij mij gehoord heeft. Jens Pas is verhalenverteller en adviseur over innovatie en mensvriendelijk ondernemen. Meer over Jens Pas vindt u op www.jenspas.beJens Pas