Het Centrum voor duurzame ontwikkeling aan de Universiteit Gent is een multidisciplinair team, bestaande uit sociologen en politicologen, economen, een ingenieur-architect, ruimtelijke planner, filosoof, scheikundige, milieudeskundige, ... De onderzoekers doen vooral beleidsrelevant projectonderzoek. Stedenbouwkundige Trui Maes vertelt: "Een sterk punt van ons centrum is dat we niet stilzitten op onze wetenschapsstoel, maar ook discussies in het veld voeren met de betrokkenen. Het Vlaamse stedenbeleid heeft ons de opdracht gegeven om een mee...

Het Centrum voor duurzame ontwikkeling aan de Universiteit Gent is een multidisciplinair team, bestaande uit sociologen en politicologen, economen, een ingenieur-architect, ruimtelijke planner, filosoof, scheikundige, milieudeskundige, ... De onderzoekers doen vooral beleidsrelevant projectonderzoek. Stedenbouwkundige Trui Maes vertelt: "Een sterk punt van ons centrum is dat we niet stilzitten op onze wetenschapsstoel, maar ook discussies in het veld voeren met de betrokkenen. Het Vlaamse stedenbeleid heeft ons de opdracht gegeven om een meetinstrument te ontwikkelen voor de duurzaamheid van de dertien centrumsteden. Samen met een vierhonderdtal experts hebben we dan ook de 'stadsmonitor' ontwikkeld. Trefwoorden daarin zijn onder andere vraag en aanbod van voldoende kwalitatieve woningen, met inbegrip van voldoende sociale woningen zonder te lange wachtlijsten, ook rationeel en kwalitatief ruimte- en milieugebruik, bio-diversiteit en spaarzaamheid met energie." De stadsmonitor bestaat uit 190 indicatoren, gebaseerd op allerlei administratieve gegevens, ruimtelijke informatie en enquêtes onder de bewoners en organisaties. "Verschillende steden hebben na de laatste gemeenteraadsverkiezingen die indicatoren gebruikt in hun bestuursakkoorden en ook stadsdiensten en externe actoren maken ervan gebruik," weet Maes. Een deel van die indicatoren zijn GIS-indicatoren die factoren voor een leefbare woonomgeving in beeld brengen, zoals de basismobiliteit, basisscholen, buurtgroen, speelplekken, buurtwinkels maar ook dokters, apothekers, kinderopvang of een dienstencentrum. Maes geeft een voorbeeld: "De steden hebben alle haltes van het openbaar vervoer op een kaart gezet en de zones ingekleurd die binnen 500 m loopafstand van een halte zijn. Dan wordt er geteld hoeveel inwoners er in die zones wonen. Deze kaarten, de bronnen van de gegevens en toelichting zijn voor elke indicator te vinden op de website www.thuisindestad.be/stadsmonitor.asp." De GIS-indicatoren hebben volgens Maes overigens een bewustwordingsproces op gang gebracht: "Nu zijn er al elf steden die met de GIS-indicatoren meedoen, maar toen we het project in 2004 startten, waren er slechts vijf die al een GIS hadden. Toen we met hen rond de tafel gingen zitten, kwamen ook de GIS-deskundigen van verschillende steden met elkaar in contact en inspireerden ze elkaar. Voor Turnhout was de stadsmonitor de aanleiding om een 'GIS-ambtenaar' aan te nemen. We merkten ook dat de GIS-mensen elkaar ondersteunden. Toen bijvoorbeeld Roeselare en Sint-Niklaas begonnen met de GIS-indicatoren, werden ze door de andere steden geholpen. Dat is ook een aspect van duurzaamheid: ervaringen uitwisselen en van elkaar leren op lange termijn." Koen Vervloesem