Wat is uw functie binnen het UZ van Charleroi?

ANDRE VANDENBERGHE: De informatica van het UZ van Charleroi is gestructureerd volgens 3 pijlers: de afdeling informatietechnologie en communicatie, die zich bezighoudt met de systemen en de telefonie en beeldvorming; de afdeling organisatie en methodes, die vooral de administratieve informatica beheert; en de afdeling medische informatie die vooral het patiëntendossier ontwikkelt. Naast deze verantwoordelijkheid voor de medische informatie ben ik de architect van het informatiesysteem en waak ik over de samenhang van het werk van deze 3 entiteiten.
...

ANDRE VANDENBERGHE: De informatica van het UZ van Charleroi is gestructureerd volgens 3 pijlers: de afdeling informatietechnologie en communicatie, die zich bezighoudt met de systemen en de telefonie en beeldvorming; de afdeling organisatie en methodes, die vooral de administratieve informatica beheert; en de afdeling medische informatie die vooral het patiëntendossier ontwikkelt. Naast deze verantwoordelijkheid voor de medische informatie ben ik de architect van het informatiesysteem en waak ik over de samenhang van het werk van deze 3 entiteiten. Informatisering van de gezondheidszorg is bij ons, net als in andere ziekenhuizen, een titanenwerk dat ondergefinancierd wordt en te weinig personeel heeft om de ontelbare aanvragen aan te kunnen. Hier ontwikkelen we zelf ons eigen medisch dossier, wat een werkoverlast met zich meebrengt, terwijl anderen een beroep konden doen op een softwarepakket. Het lijkt dat de meest geavanceerde ziekenhuizen diegene zijn die hun eigen ontwikkelingen gemaakt hebben, zoals de KU Leuven of de VUB. Ik moet toegeven dat ik in die tijd niet te vinden was voor een in-house ontwikkeling, maar gezien de eerdere rampzalige ervaringen met commerciële oplossingen werd in 2000 beslist om te vertrekken met een eigen oplossing. Er werd geleidelijk aan een team ingevoerd, dat nu bestaat uit een vijftiental mensen. ANDRE VANDENBERGHE: In het begin van de jaren 2000 besloot de Commissie telematica om Kmehr te lanceren [Kind Messages for Electronic Healthcare Record], niet om de gezondheidssector te standaardiseren - wat onmogelijk is - maar om enkele boodschappen die pragmatisch geselecteerd worden voor te stellen om de uitwisseling van gegevens te vergemakkelijken. Er was zeker geen sprake van een veralgemeende standaardisering, en Kmehr dus bijvoorbeeld tegenover de internationale standaard HL7 te plaatsen in een soort godsdienstoorlog. Deze groep aan de basis van Kmehr is zopas opnieuw tot leven gekomen binnen het eHealth-platform onder de naam 'Structurering van de elementen' met als roeping de standaardiseringwerken te verlengen. Aangezien HL7 niet klaar lijkt te zijn om als zodanig te worden ingevoerd in België en omdat Kmehr een positie heeft verworven die beter als basisplatform gebruikt kan worden. Een Kmehr moet pragmatisch zijn op korte termijn, met tastbare resultaten op basis van redelijke investeringen. Bovendien moet men weten dat er een convertor bestaat tussen Kmehr en HL7, en dat de referenties die in Kmehr bestaan ook in HL7 zijn terug te vinden. De internationale standaards zijn langzaam en HL7 beantwoordt momenteel niet aan de behoeften op het terrein. Als we terug van nul moesten beginnen, zouden we de Belgische boodschappen op basis van HL7 bouwen. Vandaag gebruiken alle actoren uit de gezondheidszorg Kmehr, maar iedereen een beetje op zijn manier. We moeten de zaak dus weer in het gareel krijgen. ANDRE VANDENBERGHE: De Commissie Telematica wilden deze initiatieven formaliseren en coördineren in het kader van de wet Be-health, maar deze werd in 2005 verworpen. Tegen 2008 verscheen dan eHealth, dat schoon schip wil maken met het verleden. Maar gezien hun aanwezigheid op het terrein zullen de lokale initiatieven uiteindelijk terug opgepikt worden, meer bepaald dat van het Réseau Santé Wallon. Nu bestaat er een strategie om lokale initiatieven te laten samenvloeien in het nationale project 'hubs-metahub', dat zich ruimschoots laat inspireren door het Réseau Santé Wallon platform en de Kmehr-standaard. ANDRE VANDENBERGHE: Het Réseau Santé Wallon is het resultaat van het federaal project S3 van het Ministerie van Volksgezondheid. Binnen dit project kreeg elk ziekenhuis 200.000 Belgische frank (!) financiering voor de ontwikkeling van communicatie tussen ziekenhuizen en de algemene geneeskunde, wat belachelijk weinig is. Aan Waalse kant bestaan er 6 telematica-vzw's die besloten zich te groeperen binnen Fratem. Sinds 5 jaar komt Fratem elke maand bijeen om de werken over het hele Waalse grondgebied te synchroniseren. Alle middelen worden onderling gedeeld en overgedragen aan Fratem in een geest van solidariteit: de ziekenhuizen die een softwarepakket gebruiken dat soms identiek is als dat van hun buur, hadden minder fondsen nodig; de pot die zo gevormd wordt, kan dan dienen voor diegenen die eigen ontwikkelingen gedaan hebben en om het luik algemene geneeskunde te financieren. Fratem bestaat, en dat is bijzonder, voor de helft uit huisartsen en voor de andere helft uit ziekenhuizen, zodat er een netwerk kan worden gecreëerd dat de communicatie tussen artsen in en buiten de ziekenhuizen omvat, met een uitwisselingsdimensie die enkel buiten de ziekenhuizen plaatsvindt. De situatie is anders in Brussel. De telematicavereniging Abrumet neemt van meet af aan deel aan de vergaderingen van Fratem; maar door de federalisering van de subsidies van de FOD in 2006 en de ijdele beloftes van gewestelijke subsidies moest ze afstappen van de Réseau Santé Wallon-oplossing. Vandaag bestaat er terug een nauwe samenwerking tussen Fratem en Abrumet en Brussel gebruikt een kloon van het Réseau Santé Wallon. In Vlaanderen tot slot is er geen telematicavereniging. De initiatieven zijn er eerder toegespitst op het ziekenhuis en dan nog versnipperd (3 netwerken). Zo volgde Gent dezelfde technische aanpak als wij, en we hebben altijd overleg gepleegd. In het kader van het e-Healthplatform werd per slot van rekening gekozen voor de architectuur van Réseau Santé Wallon, mits enkele aanpassingen waardoor we vertraging hebben opgelopen. ANDRE VANDENBERGHE: We hebben 3 jaar lang gewerkt met specialisten inzake persoonlijke levenssfeer om een gedetailleerd document op te stellen om de rechten en plichten van de patiënten en artsen uitdrukkelijk te formuleren. We moesten inventief zijn en de wetten soms op een vernieuwende manier interpreteren, maar het document is nu aanvaard door de verschillende overheden. Op federaal niveau zijn er verschillen tussen Franstaligen die aandringen op het respect van de persoonlijke levenssfeer en het beroepsgeheim, en Nederlandstaligen die voorrang verlenen aan efficiëntie. Niettemin zal het nationale reglement ons reglement bijna woord voor woord bekrachtigen. Ons platform werd bovendien door een onafhankelijk bureau geauditeerd om zijn veiligheid. We centraliseren de gegevens niet, maar brengen ze samen in het kader van webservices. Oplettendheid is dus altijd geboden op het vlak van veiligheid. ANDRE VANDENBERGHE: Momenteel telt het netwerk ongeveer 10.000 patiënten, 2.500 artsen en 45.000 documenten voor de 9 ziekenhuizen op 37 die nu al in gebruik genomen zijn. Elke burger kan zich voortaan inschrijven op onze site met zijn e-ID-kaart en zijn dossier opvolgen via internet. De eerste ingebruikname stamt van eind 2010 en moet enkel nog gefinetuned worden. Dit project werd verwezenlijkt met enkele miljoenen euro, en het mag gezegd worden dat het uitstekend werkt. Heel binnenkort gaan we een campagne starten naar de bevolking toe om dit project meer bekendheid te geven. We werken ook aan de verbinding van de softwarepakketten die de huisartsen gebruiken, voor België zijn dat er ongeveer vijftien. ANDRE VANDENBERGHE: De architectuur van het Réseau Santé Wallon werd gekozen door het eHealthplatform en we zijn de eerste en enige kern die momenteel volledig operationeel is in het project hubs-metahub. eHealth wil ons dwingen om de hubs te beperken tot de functie van ziekenhuisverbinding om de controle van de eerstelijnsgeneeskunde in handen te krijgen. Onze filosofie is dat alle zorgactoren de gegevens moeten kunnen delen op voet van gelijkheid. Aan Franstalige kant willen de huisartsen dat er een server wordt gecreëerd (inter-Med genaamd) om patiëntgegevens te delen. Deze server is al opgenomen in het Waalse en Brusselse netwerk en we werken aan de onderlinge verbinding ervan met huisartsensoftware. In Vlaanderen heeft het Vlaams Agentschap voor Gezondheid aan Smals gevraagd om een identiek systeem te ontwikkelen dat de naam 'Eerste Lijn Kluis' meekreeg. Dit vormt een groot wrijvingspunt en een krachtmeting tussen de oplegging van het systeem door de Vlaamse overheid op nationaal niveau en het Franstalige project, dat ontstaan is op het terrein, met verschillende culturele visies. ANDRE VANDENBERGHE: Onze bottom-upbenadering terwijl we het terrein erbij betrekken, was doorslaggevend en we blijven ervan overtuigd dat het effectief delen van gegevens tussen zorgverleners niet kan worden uitgevaardigd in Brussel. We zijn er trouwens in geslaagd om de verschillen tussen subregio's, tussen concurrerende regio's te overstijgen en om de stereotypen van de tegenstelling tussen ziekenhuis/algemene geneeskunde achter ons te laten. Elke subregio neemt een deel van de verantwoordelijkheden op zich en tilt het project mee op. Alle hulpmiddelen werden onderling gedeeld en herverdeeld in functie van de behoeften. Dit maakte het ook mogelijk om de middelen vrij te maken om de inter-Medserver te ontwikkelen voor de algemene geneeskunde; terwijl de Vlaamse huisartsen zich moeten verlaten op hun regionale overheid. We hebben blijk gegeven van technologische vernieuwing, door de webdiensten vanaf 2002 in te voeren, zonder tovenaarsleerlingen toe te voegen. We zijn erg trots dat we de federale overheidssubsidies hebben omgezet in een echte bruikbare oplossing die gebruikt wordt door de Waalse artsen en patiënten. Nu is het aan hen om het succes compleet te maken.Marc Husquinet