Data News duikt voor haar veertigste verjaardag in de archieven op zoek naar lang gedateerde parels. Zo schreven we in 1989 over een mobilofoonproducent die opmerkte dat het Belgische mobilofoonnetwerk maximum 50.000 gebruikers kon bedienen. Hoe zat het toen met de technologie erachter, die de voorloper werd van het gsm-netwerk?

Belgische mobiele telefonie ontstond al in de jaren vijftig toen de RTT (het huidige Proximus) een mobiel netwerk voor voertuigen en binnenschepen lanceerde. Reikwijdte: 30 kilometer, met centrales in Brussel en Antwerpen. Een groot succes was de dienst niet. Tegen 1963 waren er amper 133 abonnees. Bovendien was de apparatuur duur en konden gesprekken makkelijk worden afgeluisterd.

Tegen 1977 lanceerde de RTT MOB1, een volwaardig mobiel netwerk, maar niet zoals we dat vandaag kennen. Het systeem werkte met 21 zendmasten/zones en dus ook met zonenummers. Wou u iemand mobiel bereiken, dan moest u weten in welke zone de wagen van die persoon rondreed. Of een paar combinaties proberen. Ook verbrak de verbinding zodra de wagen een andere zone binnenreed. Maximum aantal gebruikers: 4.000.

Het netwerk raakte tegen 1986 (3.800 abonnees) verzadigd, waardoor de RTT in 1987 met MOB2 begon, gebaseerd op het analoge systeem voor mobiele telefonie (NMT 450). De zones werden kleiner, het was niet langer nodig om te weten in welke zone een gebruiker zat om hem of haar te bereiken. Maar door het gebrek aan Europese overeenkomsten waren toestellen enkel in de Benelux bruikbaar. Al vanaf het beginjaar waren er 5.200 abonnees op MOB2, dat zijn piek kende in 1993 met 67.000 gebruikers. Opnieuw botste het netwerk op haar limieten. MOB2 was slechts voorzien op zestigduizend gebruikers, wat op piekmomenten voor storingen zorgde.

Naast mobilofoons had intussen ook de semafoon haar intrede gemaakt. Met de semafoon kon u niet gebeld worden, maar u kreeg een bericht van de afzender, waardoor u wist dat u iemand moest terugbellen. De dienst haalde in 1986 32.390 abonnees. Tegen de derde generatie van de dienst, in 1989, konden gebruikers ook berichten van 40 tekens ontvangen.

MOB1 werd overigens stopgezet in 1992, hetzelfde jaar dat de RTT zich omdoopte tot Belgacom.

In 1994 begon Belgacom met MOB3, dat we vandaag beter kennen als de GSM-standaard. De mobiele activiteiten (GSM en MOB2) werden ondergebracht in Proximus, een joint-venture met het Amerikaanse AirTouch (vanaf 1999 gefuseerd met Vodafone), dat 25 procent van de aandelen bezat.

Op het gsm-netwerk was het mogelijk om met één nummer voortaan in heel Europa bereikbaar te zijn. Door de introductie van de SIM-kaart was het bovendien eenvoudig om hetzelfde nummer te houden bij de aankoop van een nieuw toestel. In dat beginjaar kreeg Belgacom 63.000 gebruikers op zijn gsm-netwerk. Tegen 1995 liep dat op tot 190.000 gebruikers. In de jaren nadien werd de markt geliberaliseerd en zagen ook Orange (vandaag bekend als Base) en Mobistar (vandaag bekend als Orange) het levenslicht. De kostprijs van gsm's en het gebruik van het netwerk daalden, waardoor de nood aan een telefoon in de wagen verdween. Het aantal gebruikers op MOB2 daalde vanaf 1994 waardoor er tegen 1998 nog 8.500 overbleven. Op 31 augustus 1999 werd het netwerk stopgezet.