Dat Martin Hinoul hoog oploopt met de 'kennisregio' Leuven, is een understatement. Niet België, noch Vlaanderen ziet hij uitgroeien tot één van de belangrijke technologiehubs in het Europa van morgen. De universiteitsstad zou volgens hem wel een kans maken. De aanwezigheid van gerenommeerde instituten zoals Imec, Icos Vision Systems en Esat heeft daar veel, zoniet alles mee te maken.
...

Dat Martin Hinoul hoog oploopt met de 'kennisregio' Leuven, is een understatement. Niet België, noch Vlaanderen ziet hij uitgroeien tot één van de belangrijke technologiehubs in het Europa van morgen. De universiteitsstad zou volgens hem wel een kans maken. De aanwezigheid van gerenommeerde instituten zoals Imec, Icos Vision Systems en Esat heeft daar veel, zoniet alles mee te maken. "Het is bon ton om naar Finland te verwijzen", steekt Hinoul van wal wanneer we hem een bezoekje brengen in de bierstad. "Dat land heeft zich vrij snel aan de top van de kenniseconomie gepositioneerd, en dat komt heus niet alleen door Nokia. Finland spendeert meer dan 3,5 procent van zijn BNP aan onderzoek. Ter vergelijking: België zit aan 1,9 procent, Vlaanderen aan 2,2 procent. Veel te weinig dus." Maar Hinoul heeft zijn huiswerk gemaakt: als je de driehoek Leuven-Eindhoven-Aken in rekening neemt, dan kom je ook dicht tegen 3 procent. "Wist je dat er in Leuven alleen al 600 miljoen euro per jaar naar R&D gaat? De universiteit legt 250 miljoen op tafel, Imec neemt ook 250 miljoen voor zijn rekening. Dat zijn heel mooie cijfers, en een unicum in België." De kenniseconoom wijst op het feit dat er zich overal in de wereld specifieke kennisregio's ontwikkelen, en dat het juist die regio's zijn die in de nabije toekomst met elkaar gaan concurreren. "Europa heeft met 'Lissabon 2010' gezegd dat de hele Unie de belangrijkste kenniseconomie in de wereld moet worden, wel, dat is onzin. Je kan enkel regio's tot ontwikkeling brengen die competitief zijn met andere regio's." "Leuven heeft potentieel als technologiehub, maar is te klein", beseft de Genkenaar. "Omdat we België niet in beweging krijgen, focussen we nu dus op een gebied dat zich oostwaarts ontwikkelt. Willen we binnen enkele jaren nog kunnen groeien, moeten we sowieso aan schaalvergroting doen. Ik denk daarbij aan Tienen, waar er een campus rond functionele voeding wordt gebouwd. Maar ook Hasselt en Genk komen in het vizier." Ambitieuze plannen dus, maar het verhaal dat Hinoul vertelt houdt steek. Dat besefte ook voormalig KUL-rector en Icos grondlegger André Oosterlinck, die hem in 1997 terug naar België haalde om mee de ontwikkelingsplannen voor de universiteitsstad uit te tekenen. Op dat moment was Hinoul nog technologisch attaché op de Belgische ambassade in Washington. "In die dagen werden we vierkant uitgelachen met onze plannen. Maar de mooi opgeknapte campus van Haasrode liep wel meteen vol met geïnteresseerde bedrijfjes. Zelfs Philips opende een afdeling. Later zijn we beginnen focussen op het park van Arenberg. Tegen 2012 willen we daar 120.000 vierkante meter ontsloten hebben. De aanbesteding voor een tweede bio-incubator is juist uitgeschreven. Daarna zal allicht Ter Munck aan de beurt komen, aan de oprit van de E40. Daar hebben we nog 36 hectare die omgetoverd kunnen worden tot researchpark." "Als die drie parken operationeel zijn, zal Leuven pas echt in staat zijn om zijn kennis te commercialiseren. In de goede zin van het woord. Er zullen zich nog meer spin-offs vormen, die op hun beurt weer andere bedrijfjes aantrekken. Met als gevolg dat de zichtbaarheid van de regio een enorme boost krijgt." "In Leuven hebben we een sterke concentratie van Digital Signal Processing (DSP)-bedrijven", gaat de econoom verder. "In en rond Eindhoven is de situatie vergelijkbaar. Bedoeling is om één van de sterkste DSP-assen ter wereld op de kaart te zetten. Maar ook wat medische technologie betreft kunnen we de top bereiken. Denk opnieuw aan Philips. In Aken heb je dan weer één van de belangrijkste onderzoekscentra rond voeding. Elk van de drie stadsregio's beschikt over specifieke kennis en kunde, en de pakketten vullen elkaar uitstekend aan." Als je al die dingen bij elkaar brengt en de juiste synergieën opzet, win je big time, zegt Hinoul. "Het is niet aan ons om halfgeleiderbedrijven uit de grond te stampen. Je kan Intel niet bevechten, laat staan Cisco of Samsung. Dat is ook nergens voor nodig. Wij moeten de juiste niches vinden, en daar dan in uitblinken. Met DSP hebben we zo'n niche gevonden. En Icos staat voor de absolute wereldtop in pattern recognition." Martin Hinoul heeft zijn inspiratie voor de kennisregio Leuven opgedaan in de Verenigde Staten. Met zijn achtergrond heeft de man ook absoluut recht van spreken. Als jonge doctoraal student fysica genoot de Limburger het voorrecht om de ontwikkeling van Silicon Valley van dichtbij te mogen meemaken. "Toen ik de eerste keer San Francisco bezocht begin jaren '70, bestond die naam nog niet. Er stonden daar toen nog heel wat perzik- en appelsienbomen. Met in het midden de befaamde Stanford Universiteit." Toch werden de kiemen voor de belangrijkste hightech regio in de wereld al veel eerder gezaaid. In 1947 vond Nobelprijswinnaar William Shockley de transistor uit in de legendarische Bell Labs. In 1955 verkast de man naar de Westkust, en richt hij zijn eigen transistorbedrijf op in de schaduw van Stanford. 'Shockley Transistor' werd een flop, maar ligt zonder twijfel aan de basis van de Amerikaanse halfgeleiderindustrie. "Later springt Fairchild Semiconductor" op de kar, aldus nog Hinoul. "Twee toplui van dat bedrijf, Gordon Moore en Robert Noyce, richten in 1968 Intel op. Vanaf dat moment kunnen de Amerikanen dus chips maken, en gaat de bal aan het rollen. Honderden technologiebedrijven vestigen zich in de regio." "De sterkte van Silicon Valley is de gelaagdheid. Na de komst van de halfgeleiderindustrie, volgden de computerbouwers in de jaren '80, de softwareguys en de netwerkbouwers in de jaren '90, tot en met de Google-achtigen die we de laatste jaren zien opduiken. Geen enkele regio in de wereld kan daar tegen op." Vandaag telt Silicon Valley 8000 bedrijven. De 150 grootste zijn op hun eentje goed voor een BNP dat twee keer zo groot is als dat van België. "En ondanks de crisis in de financiële sector blijven de Amerikaanse technologiebedrijven blaken van gezondheid. HP heeft vorig jaar een omzet van 107 miljard dollar gedraaid, met een winst van 8 miljard dollar. Intel kon een omzet optekenen van 38 miljard met een winst van 7 miljard. Nu, in België doen de ict- bedrijven het ook goed. Hun winsten stijgen, en ze hebben steeds meer mensen nodig. Dat zit wel snor." In 1972 besluit Hinoul om voor Bell Telephone te gaan werken. "Ik heb toen het geluk gehad om veel te kunnen reizen, en om de Chinees Charlie Kao tegen te komen, een man die al sinds 1968 aan het verkondigen was dat de toekomst van de telecomindustrie in de optische fiber lag. Ook bij ons moederbedrijf ITT begon dat trouwens langzaam door te dringen. Zo werd er beslist om 5 miljard dollar te steken in de ontwikkeling van een digitale switch." Tien jaar later, in 1982, is die switch klaar, maar niemand is geïnteresseerd. De meeste telecombedrijven werken nog met semi-elektronische systemen, en niemand die het nut inziet van digitale apparatuur. "Niemand behalve de Chinezen", vult Hinoul aan. "Onwaarschijnlijk was het, dat Bell al in 1983 een megacontract kon ondertekenen met het Chinese ministerie van telecommunicatie. Aanvankelijk zouden ze daar 300.000 digitale lijnen gaan bouwen, uiteindelijk zijn het er zes miljoen geworden. De communistische partij wist dat ze telefonie nodig had, en koos meteen voor digitaal." Toen Hinoul door de Bell directie terug naar België werd geroepen, terwijl hij zijn zinnen had gezet op de uitbouw van de fabriek in Shanghai, bood hij zijn ontslag aan. Waarna hij al snel een telefoontje kreeg van buitenlandse zaken. De overheid had een technologisch attaché nodig voor het Belgisch consulaat-generaal in Los Angeles. "Dat was een droom, hè", mijmert de Limburger. "Je krijgt carte blanche van Buitenlandse Zaken, je begint te reizen naar Silicon Valley, naar Denver, naar Seattle,.... In die dagen ben ik bij honderden, of beter, bij duizenden technologiebedrijven op bezoek geweest. Ik denk dat ik in Silicon Valley elke steen heb omgedraaid. Ik heb met Steve Jobs aan tafel gezeten, met Gordon Moore, je kon je geen beter leven voorstellen." Dat we in België behoorlijk wat Amerikaanse technologiebedrijven zitten hebben, mag dus deels op het conto van Hinoul geschreven worden. "Je moet natuurlijk wel presteren. Af en toe een bedrijf naar België halen, een samenwerkingsverband op poten zetten, noem maar op." Na zes jaar in LA werd Hinoul overgeplaatst naar Washington, dé lobbyplaats bij uitstek. "Ik had intussen een gigantisch netwerk uitgebouwd aan de Westkust, en breide daar een vervolg aan aan de Oostkust. Bleek dat ons land daar nog eens absolute topdiplomaten zitten had ook. Welke vraag ik ook kreeg van het moederland, ik kon die systematisch van de juiste link voorzien. Belgacom is vaak bij mij over de vloer geweest, maar ook Telenet heeft samenwerkingsverbanden met Amerikaanse bedrijven op poten gezet." Intussen werkt Hinoul al jaren als 'onafhankelijk' consultant voor de KUL. De 'uitstap' als kabinetchef van Vlaams minister van Economie Jaak Gabriels (2001-2003) even buiten beschouwing gelaten. De onverbeterlijke optimist schreef onlangs nog een boek waarin hij scherp uithaalt naar China. "We maken elkaar blaasjes wijs wanneer we ervan uit gaan dat China ons gaat inhalen. Het Westen is al 200 jaar kennis aan het vergaren. China en India beginnen nu pas. Hoeveel Nobelprijzen komen er uit Azië? We moeten geen schrik hebben van China en India. Opnieuw: het zijn de hubs die wereldwijd met elkaar gaan concurreren. Singapore heeft dat goed begrepen. Hun sterkte is altijd hightech manufacturing geweest, maar de overheid weet dat die markt gevoelig is, nu Vietnam en China aan het bijbenen zijn. Singapore heeft dus de overstap gemaakt naar een kenniseconomie. Ze hebben de juiste budgetten, ze trekken de beste wetenschappers aan, en ze gaan het maken ook." 4Frederik Tibau