Geef het maar toe. Voor de meesten onder ons is het internet een complex en ondoorzichtig kluwen. Sommige mensen zijn er zich wel van bewust dat hun persoonlijke data wordt misbruikt en dat alles wat ze doen online zorgvuldig wordt bijgehouden, maar door de aard van het beestje blijkt het vrijwel onmogelijk om het overzicht te bewaren en de controle te behouden.
...

Geef het maar toe. Voor de meesten onder ons is het internet een complex en ondoorzichtig kluwen. Sommige mensen zijn er zich wel van bewust dat hun persoonlijke data wordt misbruikt en dat alles wat ze doen online zorgvuldig wordt bijgehouden, maar door de aard van het beestje blijkt het vrijwel onmogelijk om het overzicht te bewaren en de controle te behouden. Hamvraag is of dat zo gaat blijven wanneer we het ubiquitous computing-tijdperk betreden, wanneer technologie naadloos geïntegreerd wordt in de fysieke wereld, en zowat alle apparaten rondom ons gelinkt zullen zijn aan het internet. Op het eerste zicht maakt dat de dingen alleen maar erger, veel erger zelfs. Wanneer alsmaar meer toestellen online gaan, heeft dat ontegensprekelijk tot gevolg dat er alsmaar meer data wordt verzameld en uitgewisseld. In heel wat voorspellingen over hoe de toekomst er zal uitzien, is de akelige consensus dan ook dat, als privacy vandaag nog niet helemaal dood is, dat morgen wel het geval zal zijn, met dank aan miljarden chips, sensoren en andere wearables. In dit stukje proberen we dat doembeeld wat te ontkrachten. Er is immers een fundamenteel verschil tussen het abstracte internet zoals we dat vandaag kennen, en het 'ubiquitus'-of 'pervasive'-computing tijdperk van morgen. Het internet der dingen maakt technologie immers tastbaar, waardoor het privacyvraagstuk veel acuter wordt. Je surfgeschiedenis bijhouden is één ding, Google Glass moeten ondergaan is nog iets anders. Wanneer je de fysieke getuige bent van 'datacapture', wat overduidelijk het geval is wanneer je iemand met Google Glass ziet rondlopen, dan gaat het hoofd van de mensen veel sneller kortsluiten, en gaan ze zich veel sneller afzetten tegen een zo'n inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Bij de evolutie van het web naar het internet der dingen, krijgen héél wat technologieën wortels in de fysieke wereld (dus niet alleen brillen en horloges), waardoor ze de facto minder abstract worden. En in die 'echte' wereld wordt er wel degelijk rekening gehouden met wat wenselijk is en wat niet. Bovendien is wat wenselijk is op café, dat misschien niet op een conferentie. Gedrag dat de sociale normen met de voeten treedt zal sneller opvallen, waardoor er zich nieuwe normen en regels zullen opdringen rond hoe je met elkaar moet omgaan in die nieuwe realiteit. Nogmaals is Google Glass een perfect voorbeeld. Aanvankelijk bedoeld als hulpmiddeltje om de digitale en de fysieke wereld dichter bij elkaar te brengen, zag je al van voor dat het ding goed en wel gelanceerd was een tegenbeweging op gang komen. De term 'glasshole' zal u allicht niet meer onbekend in de oren klinken. In de VS en op heel wat plaatsen in Europa worden de brillen intussen geweerd in café's, restaurants, stripclubs en cinema's. Trendwatchers gaan er inmiddels van uit dat Glass dood en begraven is, en dat het 'naïeve' Google voor het eerst een duidelijke lijn heeft overschreden. De prompte reacties wat privacy en juridische bezwaren betreft zijn ongezien in de web 2.0-wereld. Het internet der dingen zou zich - met een beetje geluk - dus wel eens op een andere manier kunnen ontwikkelen als het world wide web. Overigens speelt er nog iets anders. In het ubiquitus computing-tijdperk groeit het belang van personalisatie en van maatwerk. Het internet der dingen gaat om meer dan geconnecteerde koelkasten. De toestellen in onze thuisomgeving moeten straks allemaal gepersonaliseerd kunnenworden, en tegemoet kunnen komen aan de individuele wensen van de gebruiker. Consumenten zullen dezelfde toestellen dus op een andere manier kunnen gebruiken dan de mensen rondom hen. Zo zullen keukenbenodigdheden met sensoren door sommigen ingezet worden bij de ondersteuning van een gastronomische kookavond waarbij precisiewerk onontbeerlijk is, terwijl anderen dezelfde voorwerpen zullen gebruiken om de voedselconsumptie bij bejaarden te monitoren. Dat is een grote stap uit de richting van het huidige web, en van het gros van onze mobiele apps, waarbij de mogelijk-heden gedefinieerd worden door de fabrikanten en waarbij er weinig ruimte is voor personalisatie. Op het eerste zicht lijkt het er sterk op dat het internet der dingen wél synoniem staat voor personalisatie en voor maatwerk. In die zin houdt het concept eigenlijk ook de belofte in voor een échte bescherming van de privacy. "Privacy-instellingen, voorkeuren en controles zouden een volwaardige feature moeten worden bij al die nieuwe technologieën die maatwerk beloven", oppert computerwetenschapper Jat Singh van de Universiteit van Cambridge daarover. Of dat allemaal realistisch is, zal deels afhangen van de bedrijven die de lead nemen in het internet der dingen. Als de technologie zich ontwikkelt binnen de walled gardens van een paar dominante leveranciers, dan zal er weinig veranderen en zullen we allicht hun regels moeten volgen in plaats van andersom. Door fabrikanten gedomineerde silo's zijn niet enkel slecht voor de privacy, maar ondermijnen ook het potentieel van the internet of things. Vandaar misschien deze voorzichtige oproep om privacy op een proactieve en voorlopig nog ietwat positieve manier te benaderen. Haar lot hangt nauw samen met het lot van het al dan niet slagen van pervasive computing. Als de visie er in bestaat om van het internet der dingen iets te maken dat nieuw, open, innovatief en divers is, dan maakt misschien ook onze privacy een kans op overleven. Frederik Tibau