GIS is een multidisciplinair domein bij uitstek. Aan de ene kant heb je geografische modellering en kaartenprojecties, kennis die van oudsher in universitaire geografiedepartementen en bij kaartenmakers zit. Aan de andere kant heb je het informaticagedeelte, zoals de architectuur van grootschalige databanken, maar ook techieken zoals computervisie die nodig zijn om beeldgegevens in kaarten om te zetten. "Beide werelden spraken tot voor enkele jaren niet zo veel met elkaar," zegt Ivan Peeters, ceo van IncGeo. Deze non-profit organisatie werd eind 2003 opgericht door de Vrije Universiteit Brussel, de Katholieke Universiteit Leuven, Universiteit Gent en het Vlaams Instituut voor Technologisch Onderzoek. IncGeo (wat staat voor Incubator Geoinformation) heeft als missie om de drempel voor gebruik van geoinformatie te verlagen bij de industrie, de overheid en de burgers.
...

GIS is een multidisciplinair domein bij uitstek. Aan de ene kant heb je geografische modellering en kaartenprojecties, kennis die van oudsher in universitaire geografiedepartementen en bij kaartenmakers zit. Aan de andere kant heb je het informaticagedeelte, zoals de architectuur van grootschalige databanken, maar ook techieken zoals computervisie die nodig zijn om beeldgegevens in kaarten om te zetten. "Beide werelden spraken tot voor enkele jaren niet zo veel met elkaar," zegt Ivan Peeters, ceo van IncGeo. Deze non-profit organisatie werd eind 2003 opgericht door de Vrije Universiteit Brussel, de Katholieke Universiteit Leuven, Universiteit Gent en het Vlaams Instituut voor Technologisch Onderzoek. IncGeo (wat staat voor Incubator Geoinformation) heeft als missie om de drempel voor gebruik van geoinformatie te verlagen bij de industrie, de overheid en de burgers. Binnen de universiteiten ziet Inc-Geo zich in een 'matchmaking' rol. "Zeker op het vlak van mobile mapping hebben wij bijvoorbeeld de geografiedepartementen samengebracht met computervisieafdelingen, waardoor ze nu samen projecten doen," maakt Peeters zich sterk. Bij mobile mapping rijden er immers wagens rond die foto's van hun traject nemen, en om die foto's samen met coördinatengegevens te verwerken tot bruikbare kaartinformatie is er heel wat know-how in computervisie en beeldverwerking nodig. Voor geografiedepartementen is dit onbekend terrein. Mede dankzij kennismakingsgesprekken die ingeleid zijn door IncGeo is er zelfs al een spin-off ontstaan in het domein van mobile mapping: GeoInvent, opgericht door de Universiteit Gent, de Hogeschool Gent en het bedrijf Sodiplan. IncGeo doet natuurlijk meer dan matchmaking, legt Peeters uit: "We zoeken tendensen in het domein van geoinformatie en proberen kennis en ontwikkelingen die al bestaan bij onze partners operationeel te maken. We ontwikkelen hiervoor dan ook innoverende producten, maar ons eigenlijk doel is meer ondersteunend dan echt commerciële ontwikkeling. We zoeken dan ook naar bedrijven en organisaties die de distributie op zich willen nemen." Het incubatiecentrum is op dit moment actief in drie domeinen die het als belangrijke trends in de geoinformatie ziet. Het eerste is al vermeld: mobile mapping. "Om Vlaanderen in deze evolutie te ondersteunen hebben we een softwareframework ontwikkeld, zodat bedrijven die zich op mobile mapping willen storten een basis hebben waarin ze hun eigen technieken kunnen inpluggen. GeoInvent gebruikt dit bijvoorbeeld." Peeters ziet nog een grote toekomst voor mobile mapping en verwacht dat we ook meer en meer kaarten in drie dimensies gaan zien, zoals Google Street View dat al in een aantal Amerikaanse steden bruikbaar is. In Vlaanderen zijn er al verscheidene mobile mapping service providers actief: Geovisat, GeoAutomation, GeoInvent, Teccon, Cyclomedia, Miramap, Sodiplan en Tele Atlas. Een ander domein waarin IncGeo actief is, is automatische coregistratie. Peeters legt uit: "Stel dat je twee luchtfoto's door verschillende camera's of op verschillende momenten hebt genomen, dan zal je voor analyse van de gegevens deze foto's met elkaar moeten aligneren. Terwijl dit traditioneel nog met veel handwerk gebeurt, voert onze software een statistische analyse van de pixels uit om de beelden volledig automatisch op elkaar te leggen." Het voordeel van IncGeo's aanpak is dat je ook bijvoorbeeld een infraroodbeeld met een visueel beeld kan vergelijken, of zelfs een beeld met vectorgegevens zoals een topografische kaart. Het VITO in Mol gebruikt de software bijvoorbeeld om de evolutie van vegetatie te bestuderen op basis van verschillende satellietbeelden. Een 'neveneffect' van IncGeo's software voor automatische coregistratie is dat je er ook wijzigingen in de situatie op de grond mee kan detecteren. Peeters illustreert dit door de software toe te passen op satellietfoto's van Antwerpen uit 2001 en 2003. In die periode was er een dok bijgegraven en was er een vijver uitgedroogd. Beide gebeurtenissen kunnen met de software worden opgemerkt omdat het beeld dat de fouten in alignering tussen beide beelden weergeeft grote witte vlekken op die plaatsen laat zien. "Om deze tool voor het detecteren van wijzigingen te gebruiken, is het echter nog te vroeg, want daar is nog heel wat verbetering mogelijk," zegt Peeters. Een derde pijler van IncGeo is onderzoek naar het updaten van grootschalige databanken. Dit project heeft IncGeo samen met AGIV (Agentschap voor Geografische Informatie Vlaanderen) uitgeschreven en werkt het uit met zijn universitaire partners. De bedoeling is vooral te kijken naar het GRB (Grootschalig Referentie Bestand), de gecoördineerde aanpak voor de opmaak, uitwisseling en het beheer van grootschalige geografische informatie in Vlaanderen. Volgens Peeters is het een grote uitdaging om een databank zoals het GRB up-to-date te houden, aangezien er altijd wel wijzigingen op het terrein door de mazen van het net glippen, zodat men periodiek toch een volledige check-up moet doen. Ook aan de gebruikerskant zijn er innoverende trends vast te stellen. Projectmanager Tanguy De Lestré van Agoria ziet een belangrijke evolutie in wat hij 'Geo 2.0' noemt: "We zien dat de traditionele geografische informatie bij steeds bredere gebruikersgroepen terechtkomt, terwijl het vroeger vaak een zaak van militairen was. Nu gebruikt iedereen wel eens Google Maps en allerlei Web 2.0-toepassingen waar lokatie vaak een doorslaggevende rol speelt." Wat zien we dan gebeuren in Geo 2.0? De inhoud kan door de gebruiker collaboratief aangemaakt worden, de verdeling van de inhoud gebeurt via een webgebaseerd platform met groot gebruiksgemak en de geografische gegevens zijn nu ook uitwisselbaar met verschillende mobiele toestellen zoals gsm en gps. Een belangrijke factor voor Geo 2.0-toepassingen is natuurlijk de overgang van steeds meer gebruikers van vast internet naar mobiel internet. Bovendien hebben meer en meer mobiele telefoons een gps-ontvanger ingebouwd. De Lestré wijst op de vele nieuwe toepassingen van mobiel internet gekoppeld met je lokatie: "Dit is allemaal hypothetisch natuurlijk, maar Goo-gle kan je bijvoorbeeld relevante advertenties aanbieden op basis van je lokatie. Als een adverteerder je bewegingspatroon kent, kan hij je ook twee straten voor je bijvoorbeeld aan de Colruyt bent een reductie geven voor de Delhaize. Uiteraard is over de privacy-aspecten in dit domein het laatste woord nog niet gezegd." Op het web vind je ook meer en meer 'geo mash-ups': webpagina's waar je op een kaart gegevens uit verschillende bronnen kan combineren. Ook op gps-toestellen breekt dit nu overigens door: TomTom kondigde aan dat het gebruikers van zijn nieuwe high-end navigatietoestellen tijdens het rijden informatie zal geven over de goedkoopste benzinestations in de buurt. Een nog belangrijker evolutie in het geo 2.0-gebeuren vindt De Lestré crowdsourcing: "Dit betekent dat gebruikers zelf veranderingen in geografische informatie onmiddellijk kunnen doorgeven aan de aanbieder, wat al heel dicht ligt bij de Heilige Graal van de cartografische industrie: altijd real-time accurate informatie verschaffen. Dat kan op twee manieren. Enerzijds passief: zo heeft Tom-Tom in zijn high-end toestellen een systeem om de reisroutes en afstanden van al zijn gebruikers te analyseren. Deze gegevens die dagelijks overeenkomen met zo'n drie keer het volledige wegennetwerk van West-Europe worden gebruikt voor een verbetering van de voorgestelde routes. Ook het Belgische Be-Mobile (zie ook kader, nvdr) maakt gebruik van passieve crowdsourcing. Anderzijds heb je ook actieve crowdsourcing, bijvoorbeeld in TomTom Map Share: als een straat ineens eenrichtingsverkeer geworden is of als er wegenwerken zijn, dan kan de gebruiker dat aanduiden en delen met de gemeenschap van Map Share-gebruikers." Voor het uitwisselen en voor de burgers toegankelijk maken van geografische gegevens, en dan vooral als die gegevens op het milieu en andere beleidszaken slaan, heeft de Europese Commissie richtlijnen uitgevaardigd. De INSPIRE-richtlijn (INfrastructure for SPatial InfoRmation in Europe) creëert hier een kader voor. In-grid Vanden Berghe, administrateur-generaal van het Nationaal Geografisch Instituut, licht toe: "De richtlijn zegt dat er regels komen voor de uitwisseling van geografische gegevens, maar die regels zelf worden door een expertencommissie vastgelegd. De bedoeling van INSPIRE is ervoor te zorgen dat informatiestromen van de lidstaten naar de Europese Commissie gemakkelijker geïntegreerd kunnen worden. Op dit moment stemt bijvoorbeeld de indeling van de wegen in types zoals lokale weg en expresweg niet overeen tussen de verschillende lidstaten en worden ze verschillend weergegeven op de kaarten." Maar bij INSPIRE gaat het niet alleen om vlottere informatiestromen tussen overheden, maar ook om een vlottere toegang voor het publiek. "De richtlijn zegt dat het brede publiek gemakkelijk moet kunnen opvragen welke geografische informatie er bij de overheid bestaat en wat de gebruiksvoorwaarden zijn," aldus Vanden Ber-ghe. "In de loop van 2010 zal er een internetportaal uitgewerkt worden voor de burgers. De richtlijn zegt overigens dat aanbieders een prijs mogen vragen voor de gegevens, maar die prijs mag geen belemmering zijn voor het gebruik. De meeste organisaties zoals meteorologische instituten en nationaal-geografische instituten moeten omwille van hun financieel model een prijs vragen. Overheden kunnen wel afspraken maken voor financiering, zodat de eindgebruiker dit niet altijd zelf hoeft te betalen." Op informaticavlak vormt INSPIRE een grote technische uitdaging voor het Nationaal Geografisch Instituut, ziet Vanden Berghe in, maar het instituut is er klaar voor: "We gaan bijvoorbeeld geografische webservices moeten implementeren, waar we nog niet zoveel ervaring mee hebben. Wij hebben er echter al sinds 2000 voor gekozen om van kaartenproducent te evolueren naar geografische databaheerder. We integreren bijvoorbeeld ook geografische informatie van andere partijen. De discussie over INSPIRE bij de Europese Commissie en de discussie bij ons intern om naar de rol van databeheerder te evolueren verliepen een beetje parallel. Toen we zagen waar INSPIRE naartoe ging, hebben we bewust de kaart van databeheerder getrokken. Deze rol is gewoon een natuurlijke keuze binnen de nieuwe Europese regelgeving." Buiten de klassieke sector van GIS-gebruikers (zoals openbaar bestuur en nutsbedrijven) lijken bedrijven nog niet echt bewust van de mogelijkheden van GIS. Dat is althans de voorzichtige conclusie van Jan Van de Steen, voorzitter van Flagis (Flemish Association for Geographic Information Systems). "Naar aanleiding van de conferentie GIS-o-TOPO-lis hebben we samen met TMAB Business Events een klein onderzoek uitgevoerd: we hebben vrij lukraak tientallen grote en middelgrote bedrijven uit allerlei sectoren een vragenlijst gestuurd, waarvan we er een kleine 30 ingevuld hebben teruggekregen." Tot de gestelde vragen behoren onder andere "Welke kaarten en plannen worden in uw bedrijf gebruikt?", "Welke geografische toepassingen worden vandaag al in uw bedrijf gebruikt?", "Welk potentieel bieden online mapping diensten voor uw bedrijf nu en in 2013?", "Kan de beschikbaarheid van betrouwbare geo-informatie de kostenstructuur van uw bedrijf gunstig beïnvloeden" en "Kan de beschikbaarheid van betrouwbare geo-informatie uw bedrijfsrisico gunstig beïnvloeden" Van de Steen vindt het opvallend dat in de vraag over het potentieel weinig creatieve toepassingen worden vermeld, enkel bestaande toepassingen zoals dispatching. "De antwoorden op de vraag over de invloed op de kostenstructuur zijn ook interessant: men verwacht slechts kleine besparingen op operationele kosten en geen besparingen op investeringen. Uit de antwoorden op andere vragen blijkt echter dat men potentieel ziet in GIS voor decision support, wat toch een belangrijke component is in beslissingen over investeringen. De antwoorden zijn dus niet altijd zo consistent, en dat wijst erop dat we met dit evenement voor het brede publiek op het juiste moment komen." Op 14 oktober presenteert Van de Steen deze resultaten op GIS-o-TOPO-lis en verduidelijkt hij wat Flagis hieruit concludeert. Koen Vervloesem