Microsoft vertrok voor de onderliggende basis van Windows Server 2008 van Windows Vista met Service Pack 1. Daar bovenop heeft Microsoft de serverdiensten van Windows Server 2003 aangebracht, die dan zelf rigoureus geëvalueerd en verbeterd werden. De bekende pijnpunten werden allemaal aangepakt: installatieprocedure, beheer, fileserverdiensten, clustering en zelfs een volledig herwerkte webserver (IIS7). In een vorig artikel (zie Data News nr. 9 van 7 maart) bespraken we alle nieuwigheden al, dus dat herhalen we hier niet.
...

Microsoft vertrok voor de onderliggende basis van Windows Server 2008 van Windows Vista met Service Pack 1. Daar bovenop heeft Microsoft de serverdiensten van Windows Server 2003 aangebracht, die dan zelf rigoureus geëvalueerd en verbeterd werden. De bekende pijnpunten werden allemaal aangepakt: installatieprocedure, beheer, fileserverdiensten, clustering en zelfs een volledig herwerkte webserver (IIS7). In een vorig artikel (zie Data News nr. 9 van 7 maart) bespraken we alle nieuwigheden al, dus dat herhalen we hier niet. Ditmaal bekijken we Windows Server 2008 vanuit praktisch oogpunt. Is het gemakkelijker te installeren, gebruiksvriendelijker te beheren en presteert het beter dan zijn voorganger of in vergelijking met Linux? Als u ooit Windows Vista installeerde, zal de installatieprocedure van Windows Server 2008 (WS2008) u erg bekend voorkomen. De erg karige en gebruiksvriendelijke installatieprocedure kan de vergelijking met Linux doorstaan. Eerst moet u taal, tijd en invoermethode kiezen. Vervolgens kiest u de gewenste servereditie: standaard, enterprise of datacenter. Die kunt u volledig of als 'core' installeren. De Core-edities zijn gestripte WS2008-varianten zonder grafische desktop voor een maximale prestatie. Het volgende scherm toont u een licentie, die u moet aanvaarden voordat u verder kunt. Daarna wil de installatieprocedure weten of het om een upgrade of een verse installatie gaat. Zodra u in het volgende scherm gekozen hebt op welke schijfeenheid alles geïnstalleerd moet worden, gaat de installatie van start. U krijgt een progressiescherm dat heel sec vermeldt wat er gebeurt en u niet, zoals bij vorige versies, om de oren slaat met reclameboodschappen over hoe geweldig alles wel niet is. U hoeft geen productcode of zo in te geven, maar standaard probeert Windows Server 2008 zichzelf binnen de drie dagen te activeren. Microsoft heeft duidelijk geluisterd naar kritieken en vooral grondig nagedacht over de beheersgereedschappen van Windows Server. Na de installatie krijgt u een 'initieel configuratiepaneel' te zien waarop in duidelijke rubrieken aangegeven staat welke taken u nog moet afhandelen. Dat paneel is onderverdeeld in drie hoofdstukken: computerinformatie, updates en serveraanpassing. Helaas moet WS2008 nog steeds herstarten voor allerlei systeemwijzigingen. Linux functioneert in dat opzicht beter. Bij het aanpassen van de server kunt u kiezen uit serverrollen of functionaliteit toevoegen. Dat is overigens niet strikt gescheiden. Het toevoegen van een bepaalde rol kan ook functionaliteit toevoegen. Het beheer van IIS7, de webserver van WS2008, is het meest gewijzigd van allemaal. Leuke extra's zijn dat IIS7 nu statische webinhoud automatisch kan comprimeren en cachen. Er zijn nog een paar dingetjes waar Microsoft niet aan gedacht heeft. Als u een harde-schijfpartitie in NTFS formatteert, is de standaarinstelling nog altijd dat er geen snelle formattering gedaan wordt. Voor schijven met ingebouwde foutencorrectie is dat niet erg logisch; bovendien duurt het 'volledig' formatteren van volumes van honderden gigabytes letterlijk uren. Microsoft veranderde de meeste aspecten van het beheer. Zelfs de configuratie- en eigenschappendialogen van eenvoudige zaken zoals drives, directory's en bestanden zien er anders uit en hebben extra mogelijkheden. Beheerelementen die eigenlijk bij elkaar horen, zijn nog steeds gescheiden. Maar Microsoft zorgde nu wel voor aanklikbare hulplijntjes waarmee u snel naar een bijhorend beheerelement navigeert. Een voorbeeld is de beveiliging van een over het netwerk te delen directory. Dat vereist zowel netwerkinstellingen als instellingen voor directorytoegang. Daarvoor is nog altijd geen globaal beheer aanwezig, maar een share-aanmaakwizard vult wel alles automatisch voor u in. Helaas kunnen we door budget- en tijdsbeperkingen niet alles testen. We besloten ons daarom te beperken tot twee potentiële flessenhalzen van een server: fileserver- en webserverprestaties. We gebruikten een HP ProLiant DL380 G5 server in een Gigabit-testnetwerk. We hebben daar achtereenvolgens Windows Server 2003 32-bit en 64-bit, Novell SuSE Linux Enterprise Server 10 (64 bit) en Windows Server 2008 (64 bit) op geïnstalleerd. Voor de prestatiemetingen deden we een beroep op de eTestingLabs NetBench fileserverbenchmark (versie 7.03) en WebBench webserverbenchmark (versie 5.0) met de standaardinstellingen. Wij hingen in totaal 60 clients aan de server, allemaal draaiend op gangbare desktop-pc's of notebooks onder Windows XP of Vista. De Net/WebBench-clients belasten de server maximaal; in een werkelijke productie-omgeving komen dit soort belastingsniveaus zelden voor. Onze testopstelling simuleert dus een veel groter netwerk. De te testen server werd allereerst als fileserver geconfigureerd. De enige aanpassing die wij deden was het aanbrengen van een testdirectory en die toegankelijk maken via het netwerk voor de Windows-client-pc's. Voor de webtest activeerden we de huiswebdienst (IIS voor Windows Server, Apache2 voor Linux) en installeerden een speciale testdirectory met de WebBench-belastingsgegevens. Voor het overige gebruikten we de standaardinstellingen van de server en het daarop aanwezige besturingssysteem. Het is dus best mogelijk dat u betere prestaties krijgt door het tunen van de instellingen. Voor de scoreberekening hebben we de hoogste werksnelheid genomen en deze afgewogen tegen het aantal clients dat actief was en gekeken of de prestatie nog steeg of niet. Hoe hoger deze testscore, hoe beter de netwerkprestaties van de server. Onze eerste nogal verrassende vaststelling is, dat er op de HP-server vrijwel geen verschil in prestaties waarneembaar is tussen de 32-bit en de 64-bit versies van Windows Server 2003. (Op andere serverhardware hebben we in het verleden wel verschillen vastgesteld.) De HP-server haalt bij NetBench zo'n 280 Mbit/s bij 60 clients en stijgend, en voor WebBench zo'n 6.550 aanvragen per seconde, maar met afnemende prestaties vanaf ongeveer 50 clients. Windows Server 2008 doet het als fileserver niet veel beter: NetBench toont bijna 282 Mbit/s bij 60 clients en stijgend. Als webserver gaat het wel een flink pak beter: Web- Bench laat 7.800 aanvragen per seconde zien, met afnemende prestaties vanaf 54 clients. De resultaten van Novell SLES 10 (Linux) zijn echter nog beter. Net- Bench laat bijna 286 Mbit/s bij 60 clients en stijgend zien. Bij WebBench halen we 7.462 aanvragen per 60 clients en stijgend! We konden de HP-server met andere woorden onder Linux niet volledig belasten met onze webbenchmark, terwijl dit onder WS08 wel lukte. Een drukke website heeft natuurlijk heel wat meer dan 60 clients en Linux laat hier duidelijk zien dat het nog altijd heel wat geschikter is voor webdiensten dan WS2008. Is Windows Server 2008 een verbetering ten opzichte van Windows Server 2003? Kort en krachtig: ja! Het is gebruiksvriendelijker, kan meer en presteert lichtjes beter. Onze vergelijking met Novell SuSE Linux Enterprise Server laat echter zien, dat Linux op het vlak van file- en webserverprestaties nog altijd de ongeslagen koning is. Bovendien zijn de draconische beveiligingsmaatregelen voor een Windowssysteem vrijwel overbodig voor Linux (er bestaat immers geen Linux-malware). Microsoft moet dus nog een tandje bijsteken wil het Linuxservers echt wegconcurreren.Johan Zwiekhorst