Een collega-student in Leuven demonstreerde me zijn nieuwste elektronische 'gadget' (we kenden dat woord toen nog niet): een programmeerbare zaktelmachine van Hewlett-Packard. Welk type het juist was, kan ik me niet herinneren, maar je kon er veel meer mee doen dan alleen wetenschappelijke formules oplossen. Met wat moeite kon je er zelfs (niet-grafische) games op programmeren. Ik heb op die zaktelmachine via het spel Lunar Lander heel wat ALM's (Apollo Lunar Modules) laten crashen op het maanoppervlak. Voortgaande op het onvolprezen Museum of HP Calculators moet het een HP-33E geweest zijn. Dat was in 1978 wellicht de enige 'personal computer' die een armlastige student zich kon veroorloven. Latere modellen van de HP-telmachines waren zelfs uitgerust met magnetische strips waarop je je programma's kon opslaan, zodat je ze niet telkens opnieuw moest intikken met behulp van het lastige Reverse Polish Notation (RPN)-systeem waar HP om bekend stond. Atari zou overigens in augustus 1979 de eerste grafische versie uitbrengen van het arcadespel Lunar Lander. Het is niet het eerste 'grafische' game dat ik ooit speelde; die eer gaat naar het klassieke game Pong, dat ik voor het eerst in 1975 in Amsterdam speelde op een arcademachine met de omvang van een grote tv en dat door Atari al in 1972 was gelanceerd als allereerste arcadegame. Strikt genomen is dat mijn allereerste echte ervaring met een computer.
...

Een collega-student in Leuven demonstreerde me zijn nieuwste elektronische 'gadget' (we kenden dat woord toen nog niet): een programmeerbare zaktelmachine van Hewlett-Packard. Welk type het juist was, kan ik me niet herinneren, maar je kon er veel meer mee doen dan alleen wetenschappelijke formules oplossen. Met wat moeite kon je er zelfs (niet-grafische) games op programmeren. Ik heb op die zaktelmachine via het spel Lunar Lander heel wat ALM's (Apollo Lunar Modules) laten crashen op het maanoppervlak. Voortgaande op het onvolprezen Museum of HP Calculators moet het een HP-33E geweest zijn. Dat was in 1978 wellicht de enige 'personal computer' die een armlastige student zich kon veroorloven. Latere modellen van de HP-telmachines waren zelfs uitgerust met magnetische strips waarop je je programma's kon opslaan, zodat je ze niet telkens opnieuw moest intikken met behulp van het lastige Reverse Polish Notation (RPN)-systeem waar HP om bekend stond. Atari zou overigens in augustus 1979 de eerste grafische versie uitbrengen van het arcadespel Lunar Lander. Het is niet het eerste 'grafische' game dat ik ooit speelde; die eer gaat naar het klassieke game Pong, dat ik voor het eerst in 1975 in Amsterdam speelde op een arcademachine met de omvang van een grote tv en dat door Atari al in 1972 was gelanceerd als allereerste arcadegame. Strikt genomen is dat mijn allereerste echte ervaring met een computer. Collega Johan Zwiekhorst bezat in 1978 wel al een echte microcomputer: een MOS Technologies Kim-1 waarvoor hij een advertentie had gezien in Byte Magazine waarop hij toen als 17-jarige geek (het woord kenden we toen nog niet) al was geabonneerd. Die kocht hij via postorder in de States, iets wat hem toen ongeveer veertienduizend frank kostte (dat zou nu rekening houdend met de inflatie ongeveer 1.200 euro zijn!). De Kim-1 was in essentie een printplaat met daarop een hexadecimaal toetsenbord en een eenregelig led-display. Je moest die in machinetaal programmeren, maar dat was een luxe tegenover de veel beroemdere MITS Altair 8800 met Intel 8080 processor, algemeen beschouwd als de 'eerste personal computer' (uit 1975). Die moest je nog programmeren door individuele bits in te stellen met behulp van tuimelschakelaars. De Kim-1 was op dat gebied geavanceerder, maar MOS Technologies had hem dan ook niet ontwikkeld als pc, maar als werkinstrument voor ingenieurs. Het had niet verwacht dat computerhobbyisten de Kim-1 massaal zouden kopen als goedkope, maar geavanceerde microcomputer. Computermonitoren bestonden toen niet, dus Johan gebruikte de Kim-1 om voor zijn eindwerk een VDU (Visual Display Unit) te ontwerpen. De Kim-1 had geen BIOS aan boord en slechts 1 kilobyte RAM. Johan's VDU was daarom in essentie niets meer dan een toetsenbord waarop je letters en cijfers kon typen die dan op een tv-scherm werden weergegeven. Meer mogelijkheden bood het beperkte geheugen van de Kim-1 niet. Met de Apple ][+ die Johan twee jaar later kocht, kon hij al heel wat meer trucjes uithalen, zoals het bouwen van een tekstinterface met vensters en pop-ups. (Dat de Apple ][+ dezelfde processortechnologie als de Kim-1 aan boord had, hielp natuurlijk bij het programmeren in machinetaal.) Overigens, die Apple ][+ kostte in 1980 zomaar eventjes 84.000 frank (inclusief tv-kleurenmonitor van een ander merk en Apple floppy drive), of het equivalent (rekening houdend met inflatie) van 7.000 euro nu! Wou je er nog een harde schijf van 5 MB bij dan kostte dat 150.000 frank extra (of het equivalent van 12.500 euro nu). Bovenstaande verhalen uit de oude doos bewijzen dat er in dertig jaar tijd een bijna onvoorstelbare (r)evolutie heeft plaatsgevonden in de informatietechnologie. Van de Kim-1 uit het geboortejaar van Data News naar de Asus EeePC, IBM X3100, laat staan Apple iPhone 3G of HTC Advantage X7510 uit 2008 (om maar een paar recente zeer innovatieve 'pc's' op te noemen) is een enorme sprong, niet alleen technologisch, maar ook op het gebied van mogelijkheden, kracht, gebruiksvriendelijkheid en zeer zeker ook prijs. In 1978 was het heel moeilijk om die revolutie zelfs maar bij benadering te kunnen inschatten. Laat staan dat iemand toen al zou kunnen voorspellen dat computers dertig jaar later permanent en zelfs draadloos met elkaar verbonden zouden zijn via een wereldwijd omspannend netwerk dat het internet heet. Dan hebben we het alleen nog maar over de revolutionaire veranderingen aan de client-kant. We mogen zeker ook niet vergeten dat een 'personal server' die gewoon in je eigen bedrijf, laat staan woonkamer (denk aan de Microsoft Windows Home Server) staat en het bijbehorende client-server informaticamodel, in 1978 ondenkbaar waren. Toen maakten mainframes en minicomputers nog de dienst uit. Intel-voorzitter Andy Grove gaf in 2001 aan CNET News.com toe dat zelfs zijn bedrijf de pc-revolutie niet had zien aankomen. Intel staat in 2008 overigens in voor tachtig procent van de processormarkt. De Intel 4004 microprocessor, de voorloper van de Intel 8080 die het kloppende hart vormde van de MITS Altair 8800, was in 1970 gebouwd als een onderdeel voor een Japanse telmachine. De Japanse opdrachtgever bezat zelfs alle rechten op het ontwerp. "Ik denk dat (de 4004) Intel zijn toekomst gaf, maar de eerste vijftien jaar realiseerden we ons dat niet," aldus Grove. "Voor ons was het een sideshow. Je vraagt je af hoeveel sideshows er bestaan die nooit tot iets meer leiden." De Intel 4004, 's wereld eerste microprocessor samen met de ongeveer gelijktijdig ontwikkelde Texas Instruments TMS 1000 en Garrett AiResearch's CADC (lang een militair geheim gebleven), kon vier bits data per klokcyclus verwerken, had een kloksnelheid van een tiende van een megahertz (108 kilohertz), en kostte minder dan 100 dollar (dat zou vandaag 560 dollar zijn). Ondertussen zijn microprocessoren en microcontrollers (microprocessoren met geïntegreerde componenten) alomtegenwoordig. Ze worden lang niet alleen meer gebruik in 'personal computers', je komt ze tegen in alles, van auto's tot zaktelmachines, van tv's tot wasmachines. Zelfs de simpelste microprocessoren zijn vandaag een stuk krachtiger dan de Intel 4004. Bovendien kosten die simpele chipjes dollarcenten, in plaats van dollars. CPU's voor desktop- en notebookcomputers staan in voor ongeveer de helft van de wereldwijde omzet in de halfgeleidermarkt, maar maken slechts 0,2 procent uit van het wereldwijde volume. Volgens die statistiek zou je dus eigenlijk beter spreken van een halfgeleiderrevolutie, eerder dan van een pc-revolutie. De wereldwijde markt voor halfgeleiders (sensoren, geïntegreerde circuits, cpu's, microcontrollers etc.) was in 2007 overigens goed voor een omzet van meer dan 257 miljard dollar en zal in 2009 net niet de 300 miljard dollar overschrijden (cijfers World Semiconductor Trade Statistics). Het idee om computers met elkaar te verbinden in een netwerk dateert uit de Koude Oorlog en vormde eind de jaren vijftig de basis voor het toekomstige internet. Maar het was wachten tot 1975, toevallig of niet hetzelfde jaar waarin de MITS Altair 8800 de pc-revolutie inluidde, vooraleer de basis werd gelegd voor een technologie die local en wide area networks (lan's en wan's) betaalbaar maakte. Voortaan konden ook microcomputers op een goedkope manier met elkaar worden verbonden. Zo werd de basis gelegd voor client-server computing, de uiteindelijke doodsteek van de mainframe. In 1975 legden vier werknemers van Xerox PARC een octrooi neer voor een Multipoint data communication system with collision detection. Bij de vier was ook Bob Metcalfe, die later zou worden beschouwd als de uitvinder van wat uiteindelijk bekend zou worden als Ethernet. Meer dan dertig jaar later vormt die Ethernet-technologie nog steeds de basis voor zowat alle computernetwerken die vandaag in gebruik zijn. Metcalfe ging met de eer strijken omdat hij in juli 1976 samen met zijn co-uitvinder David Boggs een beroemd geworden wetenschappelijk artikel schreef waarin de naam Ethernet werd gemunt (Ethernet: Distributed Packet Switching for Local Computer Networks). Metcalfe zou Xerox in 1979 verlaten om 3Com op te richten, een van de pioniers van de lan-wereld. Het experimentele Ethernet uit 1975 had een theoretische overdrachtsnelheid van drie megabit per seconde (Mbit/s) en een adresseerruimte van slechts zestien bits (acht voor het adres van de bestemmeling en acht voor het adres van de bron). De eerste echte Ethernet-'standaard' uit 1979 (toen nog alleen maar ondersteund door DEC, Intel en Xerox, vandaar de afkorting DIX), had een overdrachtsnelheid van 10 Mbit/s, een adresseerruimte van 48 bits en een veld van zestien bits met bijkomende informatie, zoals soort van gegevens die werden overgedragen. Ondertussen bestaan er tientallen gestandaardiseerde Ethernet-versies, waarvan de recentste theoretische overdrachtsnelheden halen van 10 gigabit over allerlei fysieke dragers, van koperdraad tot multi-mode glasvezel. Het IEEE (Institute of Electrical and Electronics Engineers) ontwikkelt ondertussen 40 gigabit en 100 gigabit Ethernet-standaarden. Het World Wide Web (WWW)-project van het CERN legde in het begin van de jaren negentig de basis voor de publieke acceptatie en groei van het internet. De achterliggende ideeën voor het latere web kunnen echter worden getraceerd tot in 1980, toen Tim Berners-Lee met ENQUIRE een kennissysteem ontwikkelde dat al veel elementen van het latere WWW kende. Het formele voorstel voor het WWW dateert van november 1990 en werd gepubliceerd door Berners-Lee en de Belg Robert Calliau. Een NeXTcube deed dienst als de allereerste 'webserver'. De NeXTcube was een compact, high-end werkstation dat van 1988 tot 1993 verkocht werd door NeXT, een bedrijf dat in 1985 was opgericht door Apple Computer co-stichter Steve Jobs. Berners-Lee programmeerde in 1990 ook de eerste webbrowser, WorldWideWeb, die tegelijk dienst deed als webeditor. De allereerste webpagina beschreef het WWW-project van het duo Berners-Lee en Calliau. Een kort bericht op de Usenet-nieuwsgroep alt.hypertext van 6 augustus 1991 waarin Berners-Lee zijn project beschrijft, wordt algemeen beschouwd als de start van het web als een publiek toegankelijke dienst. Wonderlijk genoeg kun je dat historische bericht vandaag nog altijd opzoeken in groups.google.com! Als een historicus of archeoloog over honderd jaar wil weten hoe het web is ontstaan, dan moet hij of zij niet gaan graven, maar gaan googlen (of wat over honderd jaar daarvan het equivalent zal zijn). Een treffender illustratie van de impact van dertig jaar it kan ik niet verzinnen.@Jozef Schildermans