Vandaag bedraagt het budget voor ICT in het onderwijs zo'n 32 miljoen euro per jaar. Dat wordt nu, éénmalig en gespreid over de komende twee jaar, opgetrokken tot 375 miljoen euro.

De voornaamste blikvanger uit het plan is dat elke leerling vanaf het vijfde leerjaar tot het einde van de middelbare schooltijd een laptop in bruikleen krijgt voor binnen en buiten de schooluren. Voor kleuteronderwijs en klassen tot het vierde leerjaar komen er toestellen die gedeeld kunnen worden.

Maar het plan zelf gaat veel breder dan de aankoop van laptops. "We hebben nu echt een achterstand en dat is door corona duidelijk geworden. Daarom moet er nu een grote sprong vooruit worden gemaakt," licht Michael Devoldere, woordvoerder van onderwijsminister Ben Weyts (N-VA) toe.

Naast de laptops moet de investering ook gaan naar andere ondersteunende hardware zoals servers, connectiviteit, netwerkinfrastructuur, randapparatuur en beveiligingssoftware.

De scholen zelf gaan samen met hun ICT-coördinator of ICT-team een eigen visie opstellen en implementeren. Maar er wordt ook geïnvesteerd in de ICT-competenties van de leerkrachten, en in de lerarenopleidingen, met aangepaste digitale leermiddelen. Ook komt er een kennis- en adviescentrum 'Digisprong' die het onderwijsveld moet ondersteunen.

Vrij om te kiezen

Gaat de overheid op grote schaal honderdduizenden laptops kopen en verdelen? Neen. Elke school of scholengroep kiest zelf wat ze waar aankopen, weliswaar binnen de mogelijkheden van de wet op de overheidsopdrachten. Maar er kan wel beroep worden gedaan op bestaande raamcontracten, bijvoorbeeld voor de internetaansluitingen.

Dat geeft scholen de flexibiliteit om hun toestellen af te stemmen op de noden van specifieke richtingen in het secundair onderwijs. Bovendien gaat het om 'een ICT-toestel', dat zal in veel gevallen een laptop zijn, maar dat hoeft niet noodzakelijk.

Hoewel het om budgetten gaat voor de komende twee jaren, zal niet elke school dat geld in die periode uitgeven. Zo hebben grotere scholen vaak al een bepaalde infrastructuur waarop kan verdergebouwd worden. Anderen staan minder ver en moeten bijvoorbeeld eerst investeren in extra stopcontacten vooraleer er in andere middelen wordt geïnvesteerd.

Van 375 miljoen euro naar 37,5 miljoen euro

De investering is een onderdeel van het relanceplan. Maar die investering is van relatief korte duur. De 375 miljoen euro wordt over de twee schooljaren 2021-22 en 2022-23 gespreid, maar nadien gaat het nog om 37,5 miljoen euro per jaar. Riskeert het Vlaams onderwijs nadien dan niet terug te vallen op infrastructuur met te weinig geld om de vernieuwing vol te houden?

'Dit is genoeg om de komende jaren die grote sprong te maken, maar in de toekomst zal opnieuw een impuls nodig zijn,' zegt Devoldere aan Data News. Hij maakt zich wel sterk dat het digitaliseringsbeleid niet zal stopgezet worden. 'Sommige klokken ga je niet terugdraaien en dit is een sprong die we moeten maken.'

400 of 38 euro per leerling

De investering in digitaal onderwijs wordt daarbij omschreven als een 'elektroshock' om scholen de komende jaren digitaal mee te krijgen, met enige verwachting dat de investering om digitale infrastructuur op te zetten hoger ligt dan het onderhouden ervan.

Dat zal enigszins kloppen, maar lijkt wel bijzonder hoopvol als we dat uitrekenen per leerling. Vandaag telt het basis- en secundair onderwijs 934.000 leerlingen (zonder het kleuteronderwijs). Met de huidige investering komt dat neer op zo'n 401,5 euro voor de komende twee jaar.

Maar als het budget nadien effectief terugvalt op 37,5 miljoen per jaar, dan is er vanaf schooljaar 2023-2024 nog zo'n 38,2 euro per jaar per leerling voor ICT-ondersteuning. Met dat bedrag moet de school zowel haar infrastructuur onderhouden, na enkele jaren weer vernieuwen, softwarelicenties betalen en haar eigen technologische competenties relevant houden.

Vandaag bedraagt het budget voor ICT in het onderwijs zo'n 32 miljoen euro per jaar. Dat wordt nu, éénmalig en gespreid over de komende twee jaar, opgetrokken tot 375 miljoen euro.De voornaamste blikvanger uit het plan is dat elke leerling vanaf het vijfde leerjaar tot het einde van de middelbare schooltijd een laptop in bruikleen krijgt voor binnen en buiten de schooluren. Voor kleuteronderwijs en klassen tot het vierde leerjaar komen er toestellen die gedeeld kunnen worden.Maar het plan zelf gaat veel breder dan de aankoop van laptops. "We hebben nu echt een achterstand en dat is door corona duidelijk geworden. Daarom moet er nu een grote sprong vooruit worden gemaakt," licht Michael Devoldere, woordvoerder van onderwijsminister Ben Weyts (N-VA) toe.Naast de laptops moet de investering ook gaan naar andere ondersteunende hardware zoals servers, connectiviteit, netwerkinfrastructuur, randapparatuur en beveiligingssoftware.De scholen zelf gaan samen met hun ICT-coördinator of ICT-team een eigen visie opstellen en implementeren. Maar er wordt ook geïnvesteerd in de ICT-competenties van de leerkrachten, en in de lerarenopleidingen, met aangepaste digitale leermiddelen. Ook komt er een kennis- en adviescentrum 'Digisprong' die het onderwijsveld moet ondersteunen.Gaat de overheid op grote schaal honderdduizenden laptops kopen en verdelen? Neen. Elke school of scholengroep kiest zelf wat ze waar aankopen, weliswaar binnen de mogelijkheden van de wet op de overheidsopdrachten. Maar er kan wel beroep worden gedaan op bestaande raamcontracten, bijvoorbeeld voor de internetaansluitingen.Dat geeft scholen de flexibiliteit om hun toestellen af te stemmen op de noden van specifieke richtingen in het secundair onderwijs. Bovendien gaat het om 'een ICT-toestel', dat zal in veel gevallen een laptop zijn, maar dat hoeft niet noodzakelijk.Hoewel het om budgetten gaat voor de komende twee jaren, zal niet elke school dat geld in die periode uitgeven. Zo hebben grotere scholen vaak al een bepaalde infrastructuur waarop kan verdergebouwd worden. Anderen staan minder ver en moeten bijvoorbeeld eerst investeren in extra stopcontacten vooraleer er in andere middelen wordt geïnvesteerd.De investering is een onderdeel van het relanceplan. Maar die investering is van relatief korte duur. De 375 miljoen euro wordt over de twee schooljaren 2021-22 en 2022-23 gespreid, maar nadien gaat het nog om 37,5 miljoen euro per jaar. Riskeert het Vlaams onderwijs nadien dan niet terug te vallen op infrastructuur met te weinig geld om de vernieuwing vol te houden?'Dit is genoeg om de komende jaren die grote sprong te maken, maar in de toekomst zal opnieuw een impuls nodig zijn,' zegt Devoldere aan Data News. Hij maakt zich wel sterk dat het digitaliseringsbeleid niet zal stopgezet worden. 'Sommige klokken ga je niet terugdraaien en dit is een sprong die we moeten maken.'De investering in digitaal onderwijs wordt daarbij omschreven als een 'elektroshock' om scholen de komende jaren digitaal mee te krijgen, met enige verwachting dat de investering om digitale infrastructuur op te zetten hoger ligt dan het onderhouden ervan.Dat zal enigszins kloppen, maar lijkt wel bijzonder hoopvol als we dat uitrekenen per leerling. Vandaag telt het basis- en secundair onderwijs 934.000 leerlingen (zonder het kleuteronderwijs). Met de huidige investering komt dat neer op zo'n 401,5 euro voor de komende twee jaar.Maar als het budget nadien effectief terugvalt op 37,5 miljoen per jaar, dan is er vanaf schooljaar 2023-2024 nog zo'n 38,2 euro per jaar per leerling voor ICT-ondersteuning. Met dat bedrag moet de school zowel haar infrastructuur onderhouden, na enkele jaren weer vernieuwen, softwarelicenties betalen en haar eigen technologische competenties relevant houden.