Het onderzoek onderzocht alle aanvallen tegen vluchtelingen in Duitsland van de afgelopen twee jaar. Het gaat om 3.335 incidenten waarbij ze keken naar alle mogelijke variabelen, waaronder inkomen, demografie, de mate waarin er steun is voor extreem-rechts, de verkoop van kranten, het aantal vluchtelingen en incidenten in het verleden.

Ongeacht de omvang van het dorp of de stad, was er één constante die opviel: waar het gebruik van Facebook hoger dan gemiddeld lag, waren er in verhouding veel meer aanvallen op vluchtelingen. De vaststelling geldt voor bijna elke gemeenschap, ook zij die eerder links dan rechts georiënteerd zijn.

De studie, die vrij beschikbaar is, keek ook naar het internetgebruik in het algemeen, maar stelt vast dat vooral het gebruik van Facebook een bepalende factor is. Het gebruik van Facebook werd ingedeeld in eenheden en zodra het gemiddeld gebruik per persoon één eenheid hoger lag dan het nationaal gemiddelde, nam het aantal gewelddadige acties tegen vluchtelingen toe met vijftig procent stellen de onderzoekers.

Offline geen probleem

Het onderzoek dateert al van mei, maar werd nu uitgediept door de New York Times. Die trok onder meer naar het Duitse dorpje Altena, waar vluchtelingen doorgaans welkom waren en de lokale organisator veel steun krijg van vrijwilligers. Maar op de Facebookpagina die werd opgezet om vrijwilligers te mobiliseren doken wel enorm veel haatberichten tegenover vluchtelingen op. Terwijl de organisator offline er nooit slechte reacties op kreeg.

In Altena wist een lokale man de zolder van een huis waar vluchtelingen verbleven in brand te steken. De man had zich nooit in het openbaar uitgelaten over vluchtelingen. Maar nader onderzoek wees uit dat hij in de aanloop daarvan racistische memes deelde met vrienden, aanvankelijk als grap maar gaandeweg werd de toon ernstiger. Het lijkt er op dat de man steeds verder in de bubble van Facebook terechtkwam en zo geloofde dat er een ernstig probleem was en dat velen hetzelfde idee hadden.

De onderzoekers wijzen onder meer naar het algoritme van Facebook. Die toont inhoud makkelijker als de kans groot is dat het een interactie met een gebruiker uitlokt. Facebookposts die negatieve primaire emoties zoals angst of kwaadheid uitlokken, zorgen dat je meer en langer op Facebook blijft, waardoor Facebook ze nadien nog vaker gaat tonen.

De New York Times sprak ook met Betsy Paluck, een sociaal psycholoog van Princeton, over de zaak. Zij zegt in de krant dat mensen zich doorgaans schikken naar wat gangbaar is in de gemeenschap. Dat voorkomt doorgaans dat mensen zich haatdragend gaan opstellen. Maar eens er haatberichten op Facebook opduiken, verandert die norm en gaan sommigen denken dat er een breed draagvlak is voor haat tegen vluchtelingen.

Facebook zelf geeft aan de krant geen commentaar op het onderzoek. Wel zegt het dat haar maatregelen tegen haatpraat mee evolueren.

Het onderzoek onderzocht alle aanvallen tegen vluchtelingen in Duitsland van de afgelopen twee jaar. Het gaat om 3.335 incidenten waarbij ze keken naar alle mogelijke variabelen, waaronder inkomen, demografie, de mate waarin er steun is voor extreem-rechts, de verkoop van kranten, het aantal vluchtelingen en incidenten in het verleden.Ongeacht de omvang van het dorp of de stad, was er één constante die opviel: waar het gebruik van Facebook hoger dan gemiddeld lag, waren er in verhouding veel meer aanvallen op vluchtelingen. De vaststelling geldt voor bijna elke gemeenschap, ook zij die eerder links dan rechts georiënteerd zijn.De studie, die vrij beschikbaar is, keek ook naar het internetgebruik in het algemeen, maar stelt vast dat vooral het gebruik van Facebook een bepalende factor is. Het gebruik van Facebook werd ingedeeld in eenheden en zodra het gemiddeld gebruik per persoon één eenheid hoger lag dan het nationaal gemiddelde, nam het aantal gewelddadige acties tegen vluchtelingen toe met vijftig procent stellen de onderzoekers.Offline geen probleemHet onderzoek dateert al van mei, maar werd nu uitgediept door de New York Times. Die trok onder meer naar het Duitse dorpje Altena, waar vluchtelingen doorgaans welkom waren en de lokale organisator veel steun krijg van vrijwilligers. Maar op de Facebookpagina die werd opgezet om vrijwilligers te mobiliseren doken wel enorm veel haatberichten tegenover vluchtelingen op. Terwijl de organisator offline er nooit slechte reacties op kreeg.In Altena wist een lokale man de zolder van een huis waar vluchtelingen verbleven in brand te steken. De man had zich nooit in het openbaar uitgelaten over vluchtelingen. Maar nader onderzoek wees uit dat hij in de aanloop daarvan racistische memes deelde met vrienden, aanvankelijk als grap maar gaandeweg werd de toon ernstiger. Het lijkt er op dat de man steeds verder in de bubble van Facebook terechtkwam en zo geloofde dat er een ernstig probleem was en dat velen hetzelfde idee hadden.De onderzoekers wijzen onder meer naar het algoritme van Facebook. Die toont inhoud makkelijker als de kans groot is dat het een interactie met een gebruiker uitlokt. Facebookposts die negatieve primaire emoties zoals angst of kwaadheid uitlokken, zorgen dat je meer en langer op Facebook blijft, waardoor Facebook ze nadien nog vaker gaat tonen.De New York Times sprak ook met Betsy Paluck, een sociaal psycholoog van Princeton, over de zaak. Zij zegt in de krant dat mensen zich doorgaans schikken naar wat gangbaar is in de gemeenschap. Dat voorkomt doorgaans dat mensen zich haatdragend gaan opstellen. Maar eens er haatberichten op Facebook opduiken, verandert die norm en gaan sommigen denken dat er een breed draagvlak is voor haat tegen vluchtelingen.Facebook zelf geeft aan de krant geen commentaar op het onderzoek. Wel zegt het dat haar maatregelen tegen haatpraat mee evolueren.