Franstalige politici lijken als de dood voor de sociale media. Ze zien met lede ogen hoe PTB/PVDA handig van dat medium gebruik maakt. Maar ook het succes van het Vlaams Belang in Vlaanderen wordt daaraan toegeschreven. De vrees lijkt te zijn dat de talrijke uiterst-rechtse mini-partijtjes in Wallonië van de sociale media gebruik zouden kunnen maken om het 'cordon médiatique' te omzeilen, met een dijkbreuk tot gevolg.

Daarom stuurt de PS er al enige tijd op aan om de uitgaven voor sociale media tijdens de verkiezingscampagne zonder meer te verbieden. In een recent wetsvoorstel van de PS-Kamerfractie wordt die vis wel wat verdronken. De PS stelt voor om alle uitgaven voor commerciële propaganda te bannen: ook advertenties in kranten en tijdschriften zouden niet meer kunnen. Als het van de PS afhangt mogen partijen enkel nog drukwerk laten ronddelen tijdens de campagne. Al de rest, inclusief adverteren op sociale media, is verboden.

Voor dat radicale voorstel bestaat weinig steun in de Kamer. Het animo om nog vóór 2024 te sleutelen aan de federale regels voor de verkiezingscampagne is sowieso niet zo groot. Maar op het regionale niveau lijkt meer mogelijk. Dan gaat het over de regels voor de lokale verkiezingen, waarvoor de gewesten bevoegd zijn.

Recent keurde de Waalse regering een voorontwerp van decreet goed met nieuwe regels voor de volgende lokale verkiezingen. Zoals bekend zijn de uitgaven van kandidaten en partijen wettelijk geplafonneerd. Maar voortaan zullen partijen en kandidaten maximaal de helft van dat maximumbedrag mogen besteden aan advertenties op sociale media. Dit lijkt een compromis tussen de PS en de MR. Zoals gezegd gaat de PS voor een radicaal verbod. Maar de MR is minder tuk op het reguleren van de campagne. Vandaar de beperking tot 50% van het maximumbedrag.

Meer dan een symbolische maatregel zal dat echter niet zijn. Want Franstalige kandidaten en partijen blijken nauwelijks te investeren in sociale media. Slechts 40% van alle Franstalige kandidaten bij de verkiezingen van 2019 voerde digitaal campagne, meestal met heel weinig centen. De 'digitale' kandidaten investeerden gemiddeld 4,9% van hun uitgavenlimiet aan sociale media. Vlaamse kandidaten voerden beduidend meer campagne met digitale middelen. 70,8% deed uitgaven voor sociale media. Maar ook in Vlaanderen was dat bij die kandidaten maar een klein aandeel van het budget: gemiddeld slechts 12,5% van het maximumbedrag.

Franstalige politici lijken als de dood voor de sociale media.

Bij lokale verkiezingen wordt nog minder ingezet op digitaal campagnevoeren. Van alle kandidaten in het arrondissement Leuven in 2018 investeerde een schamele 11,4% in digitale middelen. Die kandidaten kwamen daarmee gemiddeld slechts aan 8,2% van hun uitgavenplafond. Dat zal allicht nog een pak lager zijn in Wallonië, waar zoals gezegd, veel minder animo bestaat om digitaal te gaan in de campagne. Dit betekent dat de 50%-regel een zeer virtuele aangelegenheid zal zijn.

Terwijl de regels strenger worden in Wallonië, ten minste op papier, gaat het in het Vlaams Gewest juist de andere kant op. De Vlaamse regering keurde op 18 februari een visienota goed waarbij een radicale deregulering van de campagne in het vooruitzicht wordt gesteld. Het verbod op commerciële reclameborden, op niet-commerciële borden van meer dan 4m² en op commerciële reclamespots op radio, televisie en bioscopen zal worden afgeschaft.

Zowel de Vlaamse als de Waalse hervorming is deels ingegeven door een streven naar consistentie, maar dan in omgekeerde zin. Als TV-spotjes verboden zijn, dan ook advertenties op Facebook, zegt men in Wallonië. Als advertenties op Facebook mogen, dan ook TV-spotjes, zegt men in Vlaanderen.

Ook in Vlaanderen is het twijfelachtig of de hervorming wel zo een grote impact zal hebben op de campagne. De maximumbedragen voor de verkiezingsuitgaven blijven bestaan. Alleen mogen de kandidaten en de partijen dat geld nu grotendeels naar eigen goeddunken besteden. Kandidaten zullen echter niet zo ver lopen met hun maximumbedrag. Adverteren op regionale zenders zal te hoog gegrepen zijn. Tien dagen een spotje van 15 seconden uitzenden op een regionale TV-omroep kost in prime time al snel 5.000 Euro, productie niet inbegrepen. Dat is méér dan het maximumbedrag van de kandidaten, op een paar grote steden na. Lijsten hebben wat meer speelruimte, maar ook zij zullen al snel tegen hun limieten botsen met een maximumbedrag van meestal slechts een paar tienduizend Euro. Tenslotte is ook het budget van de partijen vrij beperkt bij lokale verkiezingen (372.000 Euro in de plaats van 1 miljoen bij regionale en federale verkiezingen). Kortom, voor Amerikaanse toestanden, met een tsunami aan politieke TV-commercials, hoeven we allicht niet te vrezen.

Ten gronde stelt zich natuurlijk de vraag wat precies de bedoeling is van al dit gesleutel aan de campagnewetgeving. Naar verluidt wil de Vlaamse regering op die manier de regionale zenders een duwtje in de rug geven. Maar dan kan men die zenders beter rechtstreeks subsidiëren, in de plaats van onrechtstreeks via de partijfinanciering. De Waalse 50%-regel is dan weer ingegeven door een bekommernis om het beschermen van de privacy en het bestrijden van 'fake news'. Maar dan is het logischer om naar de inhoud van de campagne te kijken en, zoals in Nederland, te werken met een digitale gedragscode voor partijen en kandidaten.

Enigszins hypocriet is ook dat de Waalse regering zegt te streven naar een "gelijker speelveld". Maar het zijn juist de sociale media die het gemakkelijker maken voor buitenstaanders en nieuwelingen om op een relatief goedkope manier naamsbekendheid te verwerven. Partijen als de PTB hebben daarenboven geen toegang tot de reguliere advertentiemarkt die advertentieruimte verkoopt in de traditionle media. Met haar radicale voorstellen lijkt de PS het speelveld juist af te sluiten voor nieuwkomers. Als bijna alle campagnemiddelen worden verboden, dan speelt de campagne zich nog uitsluitend af in de TV-studio's, binnen de enge krijtlijnen van het 'cordon médiatique'. Erg democratisch is dat niet.

Franstalige politici lijken als de dood voor de sociale media. Ze zien met lede ogen hoe PTB/PVDA handig van dat medium gebruik maakt. Maar ook het succes van het Vlaams Belang in Vlaanderen wordt daaraan toegeschreven. De vrees lijkt te zijn dat de talrijke uiterst-rechtse mini-partijtjes in Wallonië van de sociale media gebruik zouden kunnen maken om het 'cordon médiatique' te omzeilen, met een dijkbreuk tot gevolg.Daarom stuurt de PS er al enige tijd op aan om de uitgaven voor sociale media tijdens de verkiezingscampagne zonder meer te verbieden. In een recent wetsvoorstel van de PS-Kamerfractie wordt die vis wel wat verdronken. De PS stelt voor om alle uitgaven voor commerciële propaganda te bannen: ook advertenties in kranten en tijdschriften zouden niet meer kunnen. Als het van de PS afhangt mogen partijen enkel nog drukwerk laten ronddelen tijdens de campagne. Al de rest, inclusief adverteren op sociale media, is verboden. Voor dat radicale voorstel bestaat weinig steun in de Kamer. Het animo om nog vóór 2024 te sleutelen aan de federale regels voor de verkiezingscampagne is sowieso niet zo groot. Maar op het regionale niveau lijkt meer mogelijk. Dan gaat het over de regels voor de lokale verkiezingen, waarvoor de gewesten bevoegd zijn.Recent keurde de Waalse regering een voorontwerp van decreet goed met nieuwe regels voor de volgende lokale verkiezingen. Zoals bekend zijn de uitgaven van kandidaten en partijen wettelijk geplafonneerd. Maar voortaan zullen partijen en kandidaten maximaal de helft van dat maximumbedrag mogen besteden aan advertenties op sociale media. Dit lijkt een compromis tussen de PS en de MR. Zoals gezegd gaat de PS voor een radicaal verbod. Maar de MR is minder tuk op het reguleren van de campagne. Vandaar de beperking tot 50% van het maximumbedrag.Meer dan een symbolische maatregel zal dat echter niet zijn. Want Franstalige kandidaten en partijen blijken nauwelijks te investeren in sociale media. Slechts 40% van alle Franstalige kandidaten bij de verkiezingen van 2019 voerde digitaal campagne, meestal met heel weinig centen. De 'digitale' kandidaten investeerden gemiddeld 4,9% van hun uitgavenlimiet aan sociale media. Vlaamse kandidaten voerden beduidend meer campagne met digitale middelen. 70,8% deed uitgaven voor sociale media. Maar ook in Vlaanderen was dat bij die kandidaten maar een klein aandeel van het budget: gemiddeld slechts 12,5% van het maximumbedrag.Bij lokale verkiezingen wordt nog minder ingezet op digitaal campagnevoeren. Van alle kandidaten in het arrondissement Leuven in 2018 investeerde een schamele 11,4% in digitale middelen. Die kandidaten kwamen daarmee gemiddeld slechts aan 8,2% van hun uitgavenplafond. Dat zal allicht nog een pak lager zijn in Wallonië, waar zoals gezegd, veel minder animo bestaat om digitaal te gaan in de campagne. Dit betekent dat de 50%-regel een zeer virtuele aangelegenheid zal zijn. Terwijl de regels strenger worden in Wallonië, ten minste op papier, gaat het in het Vlaams Gewest juist de andere kant op. De Vlaamse regering keurde op 18 februari een visienota goed waarbij een radicale deregulering van de campagne in het vooruitzicht wordt gesteld. Het verbod op commerciële reclameborden, op niet-commerciële borden van meer dan 4m² en op commerciële reclamespots op radio, televisie en bioscopen zal worden afgeschaft. Zowel de Vlaamse als de Waalse hervorming is deels ingegeven door een streven naar consistentie, maar dan in omgekeerde zin. Als TV-spotjes verboden zijn, dan ook advertenties op Facebook, zegt men in Wallonië. Als advertenties op Facebook mogen, dan ook TV-spotjes, zegt men in Vlaanderen.Ook in Vlaanderen is het twijfelachtig of de hervorming wel zo een grote impact zal hebben op de campagne. De maximumbedragen voor de verkiezingsuitgaven blijven bestaan. Alleen mogen de kandidaten en de partijen dat geld nu grotendeels naar eigen goeddunken besteden. Kandidaten zullen echter niet zo ver lopen met hun maximumbedrag. Adverteren op regionale zenders zal te hoog gegrepen zijn. Tien dagen een spotje van 15 seconden uitzenden op een regionale TV-omroep kost in prime time al snel 5.000 Euro, productie niet inbegrepen. Dat is méér dan het maximumbedrag van de kandidaten, op een paar grote steden na. Lijsten hebben wat meer speelruimte, maar ook zij zullen al snel tegen hun limieten botsen met een maximumbedrag van meestal slechts een paar tienduizend Euro. Tenslotte is ook het budget van de partijen vrij beperkt bij lokale verkiezingen (372.000 Euro in de plaats van 1 miljoen bij regionale en federale verkiezingen). Kortom, voor Amerikaanse toestanden, met een tsunami aan politieke TV-commercials, hoeven we allicht niet te vrezen.Ten gronde stelt zich natuurlijk de vraag wat precies de bedoeling is van al dit gesleutel aan de campagnewetgeving. Naar verluidt wil de Vlaamse regering op die manier de regionale zenders een duwtje in de rug geven. Maar dan kan men die zenders beter rechtstreeks subsidiëren, in de plaats van onrechtstreeks via de partijfinanciering. De Waalse 50%-regel is dan weer ingegeven door een bekommernis om het beschermen van de privacy en het bestrijden van 'fake news'. Maar dan is het logischer om naar de inhoud van de campagne te kijken en, zoals in Nederland, te werken met een digitale gedragscode voor partijen en kandidaten. Enigszins hypocriet is ook dat de Waalse regering zegt te streven naar een "gelijker speelveld". Maar het zijn juist de sociale media die het gemakkelijker maken voor buitenstaanders en nieuwelingen om op een relatief goedkope manier naamsbekendheid te verwerven. Partijen als de PTB hebben daarenboven geen toegang tot de reguliere advertentiemarkt die advertentieruimte verkoopt in de traditionle media. Met haar radicale voorstellen lijkt de PS het speelveld juist af te sluiten voor nieuwkomers. Als bijna alle campagnemiddelen worden verboden, dan speelt de campagne zich nog uitsluitend af in de TV-studio's, binnen de enge krijtlijnen van het 'cordon médiatique'. Erg democratisch is dat niet.