Een techgigant als Amazon ziet op sommige plaatsen een toename van bijna veertig procent in pakjes, terwijl het persoonlijk fortuin van topman Jeff Bezos met bijna twintig procent groeide. Ook Facebook, Netflix en videochatdiensten zien hun trafiek toenemen. Niet elke digitale onderneming komt hier beter uit natuurlijk; transport- en toerismebedrijven als Uber en Airbnb krijgen klappen. Maar een selecte groep floreert onder deze situatie.

En dat wringt, want het is dezelfde groep die de laatste jaren verschillende keren verwikkeld raakte in schandalen over belastingontwijking. De Franse econoom Gabriel Zucman becijferde dat Europa jaarlijks achttien procent van de inkomsten uit de vennootschapsbelasting, of zo'n 65 miljard euro, mist door belastingontwijking. Amerikaanse digitale giganten betaalden volgens de Financial Times in 2016 een effectief belastingtarief onder de tien procent in het buitenland.

Techreuzen ontspringen al jaren fiscaal de dans en dreigen nu ook nog beloond te worden

Die digitale sector belasten is zo moeilijk omdat de internationale afspraken voor bedrijfsbelasting reeds uit de jaren 30 stammen, toen bedrijven nog een vaste verblijfsplaats en fysiek kapitaal hadden in de landen waar ze opereren. Die zijn ongeschikt voor een digitaal kapitalisme, met netwerk- of platformbedrijven die wereldwijd kunnen opereren. Dankzij die mismatch krijgen digitale bedrijven het privilege dat ze grotendeels zelf kunnen kiezen in welk land ze belasting betalen. Een onrechtvaardige luxe die arbeiders en kleine kmo's uiteraard niet toekomt.

Aan de ene kant zijn er nu dus complete sectoren die zwaar getroffen worden door omstandigheden die buiten hun macht liggen en daarom terecht bescherming door overheden verdienen. Anderzijds maken digitale giganten nu uitzonderlijke winsten, eveneens door een situatie waar ze zelf geen verdienste aan hebben, terwijl ze al jaren vermijden om belasting bij te dragen aan het sociale weefsel waarbinnen ze opereren. Die spanning maakt de nood aan een sluitende belasting van de digitale economie nog pertinenter.

Momenteel is er een internationale hervormingsoefening bezig om dat probleem aan te pakken. Binnen de OESO wordt er onderhandeld om een deel van de winst van multinationals toe te wijzen aan het land waar ze van de markt gebruikmaken. Het idee daarachter is dat bedrijven minder makkelijk hun klanten kunnen verplaatsen dan hun intellectuele kapitaal. De oplossing zou eind 2020 klaar moeten liggen, maar bezwaren van landen met een grote techsector, zoals de VS en China, en belastingparadijzen bemoeilijken de uitkomst.

Een snel inzetbare en tijdelijke oplossing post-corona is wellicht het opnieuw bovenhalen van de digitale dienstenbelasting. Verschillende landen binnen Europa, met Frankrijk op kop, wilden in 2018 een tijdelijke belasting van drie procent op de omzet van digitale bedrijven met een omzet boven de 750 miljoen euro heffen. Zodoende zouden die toch een bijdrage leveren in de landen waar ze hun commerciële diensten aanbieden. De inning ervan in Frankrijk werd na spanningen met de VS, tijdelijk, on hold gezet om de OESO een kans te geven met een internationale oplossing te komen. Als die onvoldoende blijkt, biedt het concept van de digitale dienstenbelasting een opportuniteit om digitale bedrijven die nu uitzonderlijke winsten maken, eerlijk te laten bijdragen aan de post-corona-reconstructie.

Een techgigant als Amazon ziet op sommige plaatsen een toename van bijna veertig procent in pakjes, terwijl het persoonlijk fortuin van topman Jeff Bezos met bijna twintig procent groeide. Ook Facebook, Netflix en videochatdiensten zien hun trafiek toenemen. Niet elke digitale onderneming komt hier beter uit natuurlijk; transport- en toerismebedrijven als Uber en Airbnb krijgen klappen. Maar een selecte groep floreert onder deze situatie.En dat wringt, want het is dezelfde groep die de laatste jaren verschillende keren verwikkeld raakte in schandalen over belastingontwijking. De Franse econoom Gabriel Zucman becijferde dat Europa jaarlijks achttien procent van de inkomsten uit de vennootschapsbelasting, of zo'n 65 miljard euro, mist door belastingontwijking. Amerikaanse digitale giganten betaalden volgens de Financial Times in 2016 een effectief belastingtarief onder de tien procent in het buitenland.Die digitale sector belasten is zo moeilijk omdat de internationale afspraken voor bedrijfsbelasting reeds uit de jaren 30 stammen, toen bedrijven nog een vaste verblijfsplaats en fysiek kapitaal hadden in de landen waar ze opereren. Die zijn ongeschikt voor een digitaal kapitalisme, met netwerk- of platformbedrijven die wereldwijd kunnen opereren. Dankzij die mismatch krijgen digitale bedrijven het privilege dat ze grotendeels zelf kunnen kiezen in welk land ze belasting betalen. Een onrechtvaardige luxe die arbeiders en kleine kmo's uiteraard niet toekomt.Aan de ene kant zijn er nu dus complete sectoren die zwaar getroffen worden door omstandigheden die buiten hun macht liggen en daarom terecht bescherming door overheden verdienen. Anderzijds maken digitale giganten nu uitzonderlijke winsten, eveneens door een situatie waar ze zelf geen verdienste aan hebben, terwijl ze al jaren vermijden om belasting bij te dragen aan het sociale weefsel waarbinnen ze opereren. Die spanning maakt de nood aan een sluitende belasting van de digitale economie nog pertinenter.Momenteel is er een internationale hervormingsoefening bezig om dat probleem aan te pakken. Binnen de OESO wordt er onderhandeld om een deel van de winst van multinationals toe te wijzen aan het land waar ze van de markt gebruikmaken. Het idee daarachter is dat bedrijven minder makkelijk hun klanten kunnen verplaatsen dan hun intellectuele kapitaal. De oplossing zou eind 2020 klaar moeten liggen, maar bezwaren van landen met een grote techsector, zoals de VS en China, en belastingparadijzen bemoeilijken de uitkomst.Een snel inzetbare en tijdelijke oplossing post-corona is wellicht het opnieuw bovenhalen van de digitale dienstenbelasting. Verschillende landen binnen Europa, met Frankrijk op kop, wilden in 2018 een tijdelijke belasting van drie procent op de omzet van digitale bedrijven met een omzet boven de 750 miljoen euro heffen. Zodoende zouden die toch een bijdrage leveren in de landen waar ze hun commerciële diensten aanbieden. De inning ervan in Frankrijk werd na spanningen met de VS, tijdelijk, on hold gezet om de OESO een kans te geven met een internationale oplossing te komen. Als die onvoldoende blijkt, biedt het concept van de digitale dienstenbelasting een opportuniteit om digitale bedrijven die nu uitzonderlijke winsten maken, eerlijk te laten bijdragen aan de post-corona-reconstructie.